Het woord stigma (of meervoud: stigmata) komt uit het Grieks en betekent brandmerk, of schandvlek. In de laatste betekenis wordt 'stigma' wel gebruikt om een groep te stigmatiseren, oftewel een negatief etiket op te plakken dat vaak is gebaseerd op vooroordelen.
In de katholieke betekenis zijn stigmata de merktekens van Jezus Christus. Als mensen tijdens gebed of meditatie zo in vervoering raken van het lijden van Christus en zich ook daaraan overgeeft, kan het voorkomen dat die persoon zelf de vijf kruiswonden ontvangt. In de kerkgeschiedenis zijn veel voorbeelden te vinden van mensen die de wonden van Christus ontvingen.
De kruiswonden variëren van wonden op de rug van de hand, op de voeten, op het hoofd, in de rug of op de schouders. Soms ontstaan wonden ter hoogte van de zij, waar de lans het lichaam van Jezus doorboorde.
Een stigmaticus doorleeft de pijnen die bij de wonden horen, vaak al voordat de wonden verschijnen op het lichaam. De wonden zelf zien er ook verschillend uit. Ze kunnen bloeden, het kunnen diepe huidwonden zijn of verdikkingen die lijken op spijkerwonden. De wonden komen op en verdwijnen zonder aanwijsbare reden. Hoewel ze langere tijd open zijn -juist in perioden dat de ontvanger een diepe religieuze devotie beleeft - laten ze geen infectie of ziekte achter. De wonden genezen als vanzelf.
De kerk neemt een afwachtende houding aan, als het om stigmata gaat. De kerk accepteert dat stigmata voort kunnen komen uit religieuze extase. Een officieel standpunt is er niet, omdat het ook kan gaan of placebo-effecten.
De katholieke geschiedenis kent meer dan driehonderd voorbeelden van mensen die de wonden van Christus hebben ontvangen. Onder hen: