Het mooie mysterie van de Lijkwade van TurijnDe Tempeliers hebben meer dan honderd jaar lang de Lijkwade van Turijn in hun bezit gehad en in het geheim aanbeden. Dat meldt de NOS maandag op haar website. De historica Barbara Frale zou dit in het geheime archief van het Vaticaan ontdekt hebben. In de zomer verschijnt een boek van haar hand over de kwestie en delen zijn gepubliceerd in L'Osservatore Romano. Frale is bekend van het boek The Templars, the secret history revealed.
Wat is de connectie tussen de 'geheime orde' van de Tempeliers en dat fabelachtige doek?
Volgens miljoenen katholieken wereldwijd is dit het kostbaarste relikwie van het christendom. Volgens misschien even vele sceptici is het een knappe Middeleeuwse vervalsing. We hebben het over de Lijkwade van Turijn. In dit doek heeft het lichaam van Jezus gelegen tussen zijn graflegging (zeg maar op Goede Vrijdag) en zijn verrijzenis (Paasmorgen). 'Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen' (Joh. 19,40) en legden hem in een graf. Na de verrijzenis haasten Petrus en een andere leerling zich naar het lege graf. 'Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek.' (Joh. 20,4-8)
De mannelijke leerlingen van Jezus zagen Hem pas veel later. Het zijn in eerste instantie de vrouwen die de verrijzenisboodschap verkondigen.
Volgens devote christenen is deze doek het meest concrete bewijs voor de historiciteit van de verrijzenis; het ultieme bewijs dat Jezus inderdaad verrezen is. Het doek beeldt een grote, lange man uit. Het vertoont allerlei details van een gekruisigde. Zo zijn de wonden van een doornenkroon en van doorboorde polsen te zien. Ook andere details komen overeen met wat we nu weten over de geliefde executiemethode van de Romeinen. De afbeelding is moeilijk te onderscheiden, maar er is nog meer te zien. In 1989 nam een Italiaanse fotograaf Secondo Pio voor het eerst in de geschiedenis een foto van de lijkwade. Het bleek dat het negatief veel scherper was dan het ‘origineel’. Dit leidde weer tot speculaties over het ontstaan van de lijkwade, veroorzaakt door een soort goddelijk licht op het moment van Jezus’ verrijzenis. Ook de omgeslagen achterzijde van het doek is aan de binnenkant ‘bedrukt’: de achterzijde van het lichaam is erop te zien. Er lijkt echt een mens in te hebben gelegen.
Maar de geschiedenis van deze lijkwade is turbulent en de oudheid ervan wordt betwist. Sommigen schrijven het doek toe aan het genie van Leonardo da Vinci. Andere auteurs grijpen deze theorie aan om de lijkwade te koppelen aan de Tempeliers: hun laatste grootmeester Jacques de Molay zou erop afgebeeld staan. En voor hen die Da Vinci zien als één van de grootmeesters van de Priorij van Sion is de lijkwade de zoveelste schakel in een kerkelijk complot tegen ‘de waarheid’.
Turbulente geschiedenis
Waar komt de lijkwade vandaan? Wie heeft het gemaakt? Wat is de identiteit van figuur die op de doek staat afgebeeld? Omdat het doek van onnoemelijk waarde is (of je nu in de echtheid ervan gelooft of niet), wordt het slechts zelden aan het publiek getoond. De laatste keer dat het publiek van heide en verre aan kwam stromen, was in het jubeljaar 2000. Mensen stonden uren en uren in de rij om enkele seconden het doek te bewonderen. Niet verwonderlijk misschien, want de volgende tentoonstelling staat gepland voor 2025.
In 2002, dus ná de tentoonstelling van 2000, liet het Vaticaan de lijkwade grondig restaureren. Dat was hard nodig. Het doek had in de loop van de eeuwen nogal veel geleden. In 1997 bedreigde een brand de lijkwade, mogelijk veroorzaakt door bewuste brandstichting. De exacte toedracht is nooit precies bekend geworden, maar een dappere brandweerman redde - uiteraard met gevaar voor eigen leven - het doek uit de vlammen. Het doek kwam er ongeschonden uit. In 1532 zorgde een grote brand wel voor aanzienlijke schade aan het doek. Niet alleen het vuur zelf bedreigde de lijkwade, maar het deed ook het zilver smelten van de schrijn waarin het doek werd bewaard. Het gesmolten en kokendhete zilver zorgde voor een paar symmetrische brandgaten aan de randen van het opgevouwen doek. De zusters clarissen probeerden het doek te herstellen door er lappen stof overheen te naaien.
Hoewel het Vaticaan in 2002 deze reparatie ongedaan liet maken, blijft het een belangrijk gegeven voor de discussie rond de oudheid van het doek. Allerlei onderzoeken zouden vervuild zijn door de impact van de brand, het zilver en vooral de stof en draad van de zusters. Ook het gebruikte bluswater zou schade aan het doek hebben gedaan, maar sommige experts menen dat het gaat om water uit een soort kruik waar het doek in bewaard zou zijn geweest.
Tempeliersconstructie
Voor 1983 was het doek niet in bezit van Rome. De eigenaar was het Huis van Savoy, de koninklijke familie van Italië. De Savoy’s hadden op hun beurt het doek gekocht in 1453 van een adellijke weduwe. Hertog Louis van Savoy (1413 – 1465) installeerde de lijkwade in zijn hoofdkwartier te Chambery. Onder de voogdij van de Savoy’s reisde het doek door heel Europa, inclusief de huidige verblijfplaats Turijn.
Louis kocht het doek in 1453 van de weduwe van Humbert van Villersexel, graaf van La Roche. Humbert verhuisde in 1418 het doek zelf naar zijn kasteel in Montfort en later naar Saint-Hippolyte-sur-Doubs. Graaf Humbert kwam op zijn beurt in bezit van de lijkwade door zijn huwelijk met een zekere Margaret, een familielid van een veroordeelde en geëxecuteerde tempelier. De grootvader van deze Margaret was de Franse ridder Geoffroi de Charny (gestorven in 1356). Het is zijn weduwe die in 1357 het doek in Lirey in het bisdom Troyes tentoonstelt. Dit is gelijk de eerste keer in de geschiedenis dat met grote mate van zeerheid het doek opduikt, dat nu in Turijn wordt bewaard. Geoffroi de Charny’s oom (met bijna dezelfde naam), Geoffrey de Charny (gestorven 1314), was een Tempelier. Hij had een hoge post in de orde in Normandië en stierf in gezelschap van de laatste Grootmeester van de Orde, Jacques de Molay in 1314.
Deze ‘Tempelierconnectie’ heeft een aantal auteurs geïnspireerd tot eigen interpretaties van de geschiedenis van dit doek, vooral voor de eerste ‘verschijning’ in 1357. De vrijmetselaars Christopher Knight en Robert Lomas betogen in hun boek The Second Messiah (1997) dat de afbeelding op het doek niet die van Jezus is, maar van de laatste grootmeester van de Tempelorde, Jacques de Molay, die in 1314 op de brandstapel stierf. In één geconcentreerde actie arresteerden de soldaten van Franse koning Filip de Schone in 1307 alle Tempeliers op zijn grondgebied. De Molay werd afschuwelijk gemarteld en stierf pas op de brandstapel. Nadat hij het bewustzijn had verloren, werd hij in een soort doek gewikkeld om bij te komen. Tijdens zijn herstelperiode van zo’n dertig uur waarin De Molay bewegingsloos zou hebben gelegen, zouden zijn bloed en zweet voor de afbeelding op het doek hebben gezorgd. Hiermee is de Lijkwade van Turijn (een belangrijk onderdeel van) de beroemde en nooit gevonden schat van de Tempeliers.
Het feit dat het doek een gekruisigde afbeeld verklaren Knight en Lomas door te stellen dat De Molay aan een deur gespijkerd stond tijdens de martelingen. De mogelijkheid dat zweet verantwoordelijk is voor de – levensechte! – voorstelling op de lijkwade wordt bevestigd door wetenschappelijk onderzoek van o.a. dr. Alan A. Mills (1995). Mills laat zich echter niet uit over de identiteit van de figuur op de lijkwade.
De Doek van Edessa
Het jaartal 1357 is een belangrijk getal omdat op dat moment in de geschiedenis de min of meer vaststaande geschiedenis van de Lijkwade van Turijn begint. Voor hen die uitgaan van een knappe vervalsing begint rond deze tijd de geschiedenis van het doek. Maar voor de ‘gelovigen’ reikt de geschiedenis terug naar het graf van Jezus in Jeruzalem.
Volgens sommige auteurs is de Lijkwade van Turijn vóór de 14 eeuw bekend als de Doek van Edessa ook wel bekend als de Mandylion (letterlijk ‘in drieën gevouwen’). Volgens de legende zou koning Abgar van Edessa (ergens tussen 4 voor en 50 na Christus) naar Jezus geschreven hebben met het verzoek hem te genezen. Jezus stuurde hem een antwoord dat hij helaas verhinderd was, maar dat een van zijn apostelen hem zou bezoeken. Tezamen met de brief stuurt Jezus hem een beeltenis van zichzelf: de Mandylion. Uiteindelijk is het de apostel Thaddeus die naar Abgar toekomt en hem op miraculeuze wijze geneest. Deze legende is bekend geworden door bisschop Eusebius van Caesarea (275 – 339) die claimt terug te gaan op documenten van Abgar zelf.
Hoewel het in deze legende gaat om een doek met de afbeelding van de levende Jezus zijn er toch aanwijzingen te vinden die suggereren dat er wel degelijk een verband is tussen de Mandylion en de Lijkwade van Turijn. Uit de periode van voor de 14e eeuw zijn er meer dan 40 verschillende ‘ware afbeeldingen’ van Jezus in omloop. Deze beelden echter zonder uitzondering alleen het (ongeschonden) hoofd van Jezus af en niet – zoals de Turijnse Lijkwade – het gehele, gemartelde lichaam. Er is één uitzondering, de Doek van Edessa. Zoals de Griekse naam Mandylion al suggereert gaat het hier om meer dan alleen het hoofd.
Er zijn ook drie andere aanwijzingen die op een identificatie duiden. De christelijke monnik Johannes Damascus (676 – 749) schrijft in zijn geschrift On Holy Images over de Doek van Edessa als een soort uitvouwbare strip die het gezicht van Jezus toont tijdens zijn leven. Aartsdeken van de Shania Sofia-kerk in Constantinopel Gregorius Referendarius preekt ter gelegenheid van de verhuizing van de Mandylion naar de keizersstad in 944 over het artefact. Volgens hem is niet alleen het gezicht maar het gehele lichaam te zien. Ook zouden er afbeeldingen van bloed te zien zijn. Deze beschrijving lijkt al meer op die van de Turijnse Lijkwade.
In 1203 schrijft de kruisvaarder Robert de Clari in zijn kroniek over de Mandylion in Constantinopel. Het stelt dat het object door iedereen vereert wordt als de lijkwade van Jezus. De Mandylion beeldt het hele lichaam af inclusief bloedvlekken. Dit is de beschrijving zoals we die van Turijn kennen. Moderne vergelijking is onmogelijk omdat de kostbare Mandylion tijdens de Val van Constantinopel is verdwenen. Hoewel hier en daar afbeeldingen worden tentoongesteld die de Doek van Edessa zouden zijn, is hier geen bewijs voor gevonden. Volgens sommige auteurs is de Mandylion in bezit gekomen van een zekere ridder Otto de la Roche (hetzelfde gebied waar later Humbert van Villersexel graaf van is). Hij zou het doek vanuit het Oosten hebben meegenomen naar Europa. Later zou hij het kostbare relikwie aan de Tempeliers hebben gegeven.
Aan het begin van deze paragraaf is het evangelie van Johannes al geciteerd. Daarin wordt gesproken van ‘linnen doeken’ (de lijkwade), maar ook van ‘de doek die Jezus’ gezicht bedekt had” en die ‘niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek.’ Gelovigen hebben dit gegeven aangegrepen om niet alleen naar de Lijkwade van Jezus uit te zien, maar ook naar zijn ‘hoofddoek’. Eén van de bekendste kandidaten voor deze doek is de ‘Lijkwade van het Spaanse Oviedo’. Op dit zwaar beschadigde doek is geen duidelijke afbeelding waar te nemen, alleen enkele donkere (bloed?)vlekken. Als beide lijkwaden over elkaar heen worden gelegd, overlappen de bloedvlekken elkaar precies. Volgens sommige gelovigen hét bewijs dat het om de authentieke hoofddoek van Jezus gaat. Critici menen dat de vergelijking mank gaat, hoewel beide doeken van hetzelfde materiaal geweven zijn, zij het met een andere techniek.
Schilderij, foto of mirakel?
Wie de figuur op de lijkwade is en hoe deze afbeelding er gekomen is, blijft onderwerp van wetenschappelijke controverse. Hoewel het niet het hoofddoel van deze paragraaf is, geef ik graag bij wijze van afsluiting een klein en onvolledig overzicht.
Devote christenen wereldwijd geloven dat de afbeelding van de man op de lijkwade die van Jezus zelf is. De afbeelding zou veroorzaakt zijn door een soort bovenmenselijk licht dat gepaard ging met de (fysieke) opstanding. Wetenschappers, gelovigen en critici, hebben nog enkele andere mogelijkheden geopperd. Zo zou de afbeelding ontstaan zijn door chemische processen tijdens het ontbindingsproces dat inzette direct na de dood van Jezus. Anderen, zoals voornoemde auteurs Knight en Lomas claimen – mede op basis van C-14-meetingen – dat de afbeelding die van Jacques de Molay is, veroorzaakt door zijn heftig zwetend en bloedend lichaam.
De echte critici van de authenticiteit van de lijkwade stellen dat het doek een zeer goed geslaagde vervalsing is. Het zou één van de eerste, echt geslaagde pogingen zijn om een foto te maken. De naam van Leonardo da Vinci (1452 –1519) duikt in dit verband direct op. Hij leefde in dezelfde tijd als één van de C-14-metingen deed vermoeden. Leonardo zou de kunde en de visie hebben om een primitieve foto te maken. Er is wel gewezen op de opvallende overeenkomst tussen het gelaat op de lijkwade en dat van Leonardo op zijn beroemde zelfportret. Ook wordt hij genoemd als schilder van dit doek. Henry Lincoln, Michael Baigent en Richard Leigh hebben in hun boek Holy Blood Holy Grail beweerd dat Leonardo één van de Grootmeesters was van de Priorij van Sion. Dan Brown nam deze bewering over in zijn Da Vinci Code (2004) en maakte het verhaal op slag wereldberoemd.
Weer andere onderzoekers menen dat de straling van de zon verantwoordelijk is voor de figuur op de doek. Onder een soort van vergrootglas brandde een N. D. Wilson in 2005 een vergelijkbare afbeelding op linnen. Een laatste theorie is dat de lijkwade gemaakt is met behulp van een standbeeld-op-ware-grootte. Een speciaal geprepareerd doek werd over een beeld gelegd. Resultaat: een vergelijkbare afbeelding als die van de lijkwade.
De lijkwade is ook een aantal keren chemisch en bacterieel onderzocht. Verschillende C-14-metingen zijn verricht met verschillende uitkomsten. De uitkomst die duidt op de 15e eeuw zou veroorzaakt kunnen zijn doordat de meting vervuild raakte met een stukje materiaal waarmee de zusters het beschadigde doek hebben gerepareerd. Analyses van planten, pollen en bacteriën suggereren dat er wel degelijk een mens van vlees en bloed in de doek heeft gelegen, en dat het doek afkomstig is uit het gebied van Israël en Palestina.
De discussie over de Lijkwade van Turijn is nog lang niet beslecht. Voor critici is het een schoolvoorbeeld van volks bijgeloof. Maar voor devote christenen is de lijkwade een genadevol bewijs voor het bestaan van de fysieke opstanding. En daarmee wordt het voor hen een vooruitwijzing naar de eigen onsterfelijkheid in de hemel.
|