9-3-2007 / Bespiegeling / Het vraaggesprek met Nikodemus |
Eén van de mooiste interviews die het Evangelie vermeldt, staat beschreven in hoofdstuk 3 van Johannes. Een voorname Farizeeër in Jeruzalem, Nikodemus genaamd, kwam in de nacht naar Jezus om Hem datgene te vragen wat hij overdag, in de nabijheid van zijn collega’s, niet aan de orde durfde te stellen. Jezus zal wel blij zijn geweest dat tenminste één van zijn tegenstanders op zoek naar de waarheid was. Het werd een zeer exclusief interview, want Jezus vertelde een aantal bijzonderheden over zichzelf die bij weinig andere evangelisten zo duidelijk worden genoemd. Misschien heeft Johannes het gesprek wel bijgewoond en kon hij daardoor zoveel details van het besprokene op schrift stellen.
Nikodemus wilde, net als de andere Farizeeën, weten wie Jezus was: een leraar of de beloofde Messias. Zijn eerste vraag was in zekere zin al een bekentenis: Rabbi, wij weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt, wantniemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is. Maar Jezus nam die uitspraak voor kennisgeving aan en bracht het gesprek op het wedergeboren worden uit de Geest als voorwaarde om het Rijk Gods te zien. Met dit onderwerp, dat op hem sloeg, wist Nikodemus niet goed raad, en toen Jezus zei: gij moet opnieuw geboren worden, gaf Nikodemus Hem ten antwoord: Hoe kan dat geschieden?. Daarop zei Jezus weer: Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens? Dat gezegde zal Nikodemus wel aan het denken hebben gezet.
Vervolgens wekte Jezus Nikodemus op Hem te geloven als Hij over de ‘dingen des hemels’ sprak. Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen. En daarop voortelde Hij Nikodemus hetgeen zou komen: En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben. Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. (…) Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.
Wat een rijkdom aan gedachten gaf Jezus deze goedwillende ondervrager mee. Daarbij verwees Hij tweemaal naar zichzelf als de ‘Eniggeboren Zoon van God’, een uitspraak die de kern was van zijn conflict met de Farizeeën en die Hem uiteindelijk tot de kruisdood zou voeren.
Nooit zal Nikodemus dit gesprek vergeten hebben. Na de dood van Jezus was hij het die samen met Jozef van Arimatea het dierbare lichaam van de Heer verzorgde en in het graf legde. (Johs. 19,39). Het vraaggesprek zal voor hem wel ‘de wedergeboorte uit de Geest’ betekend hebben, zodat hij tot het Rijk Gods is gekomen.
Bob van de Graaf