31-3-2007 / Mgr. Muskens leeft straks verder als Benedictijnse monnik |
BREDA - Binnen een jaar, op 2 februari 2008, treedt Tiny Muskens in als monnik in de Pauluscommuniteit van de benedictijnen in Teteringen. Een stap, straks in zijn 73e levensjaar, die hij eigenlijk als tiener al wilde zetten. Hij gaat zich ten volle aan het monnikenleven geven. Ja, hij laat zelfs nu al weten straks in het monnikenhabijt begraven te willen worden. Bij tijd en wijle verruilt hij het benedictijnerkloostertje voor de hem sinds jaar en dag vertrouwde Abdij Maria Toevlucht in Zundert.
Daar, in die beide kloostergemeenschappen, wil hij het laatste deel van zijn leven wijden aan rust, stilte, gebed en broederschap. "Ik wil God naderen en het geheim van het leven. Ik hoop zo te ervaren dat de eeuwigheid die God is niet alleen iets is voor na de dood. Eeuwigheid begint niet bij de dood, eeuwigheid is er altijd. Omdat ik me daar steeds meer bewust van ben geworden, ben ik minder bang geworden om fouten te maken en door God en mensen afgewezen te worden. Kerkvader Augustinus zei het kernachtiger: 'Wie leeft in het perspectief van de eeuwigheid, geniet des te meer van het heden'. "
Tiny Muskens doet deze ontboezemingen in zijn nieuwe boek 'Opmaat tot Eeuwigheid', dat hij samen met theoloog en publicist Arjan Broers maakte over zijn kijk op God en de dood.
Muskens praat openhartig en vrijmoedig over God, zijn God, zonder dat hij hem overigens in een concreet beeld kan weergeven. "God laat zich niet pakken in menselijke beelden. God is groter dan we ons kunnen voorstellen. Hij is geen hij of zij, draagt geen baard of kroon. God ziet er niet uit, we kunnen hem niet denken. Als we er iets over willen zeggen, grijpen we boven onze macht. Het is de kunst dat te accepteren en er toch in te geloven."
Om die reden heeft de Bredase bisschop weinig op met auteurs en kunstenaars die zich te buiten zijn gegaan aan concrete godsbeelden. Die hebben tal van opeenvolgende generaties op een vals religieus been gezet.
"Ze hebben de hemel soms prachtig verbeeld, maar die beelden van dood en hiernamaals zijn te bepalend geworden. Dante geeft in zijn Goddelijke Komedie een gedetailleerde beschrijving van het paradijs en wie hij daar ontmoet."
"Gelovigen hebben zich mede op grond van dit soort beelden heel realistische voorstellingen gemaakt van de hemel als een plek in de wolken waar we thuis zijn en elkaar weerzien. De hel zou een plek zijn van duisternis, hitte, vuur en martelingen. Het letterlijk nemen van dit soort afbeeldingen helpt ons niet als we vriendschap willen sluiten met de dood en wat daarna komt. Het is niet voor niets dat de officiële katholieke liturgie elke visuele voorstelling van de hemel vermijdt. Bij de uitvaart bidden we: 'Geef hem/haar de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichtte hem/haar, dat hij/zij ruste in vrede'. Rust, licht en vrede, wat zouden we nog meer wensen?"
Dat alles wil niet zeggen dat Muskens volledig afstand neemt van de idee, zoals Michelangelo dat uitbeeldde, dat ons uiteindelijke lot afhangt van de manier waarop wij geleefd hebben.
"Zonder daar een concrete voorstelling van iets van een hel bij te hebben. Paus Johannes XXIII zei al: de hel bestaat, maar er zit niemand in. Maar de boodschap van de Bijbel is wel dat ons leven consequenties heeft voor wat erna komt " Een verschijnsel als doodsangst is Muskens vreemd. Hij vindt de dood ook niet afschuwelijk of bedreigend.
"In onze westerse cultuur is de dood een vijand geworden: iets wat niet klopt, iets wat we moeten overwinnen. Terwijl we leven in een wereld waarin alles eindig is, aanvaarden we ons eigen einde niet. Als je wel accepteert dat je dood zult gaan, dat het bij het leven hoort, als je erover nadenkt en mediteert, dan wordt het een deel van je leven. Dan wordt je leven hier en nu beter, intenser. Omdat je vrede gesloten hebt met de dood. Waarbij ik heel goed besef dat het voor mij gemakkelijker is om naar mijn dood toe te leven omdat ik geen vrouw en kinderen heb. Ik heb in mijn dooie eentje geleefd en zal in mijn dooie eentje sterven."
In stilte en gebed moet de grens tussen leven en dood verder vervagen. Het drukke bisschopsbestaan leent zich nauwelijks voor een dergelijke levenswijze. Het klooster straks wel, hoopt Muskens. Hij zegt zeker te zijn dat God luistert als hij bidt.
"Ik kan het niet uitleggen, het is er. God is met mijn bestaan verweven, zoals met alles wat leeft. Maar of ik echt persoonlijk contact met God ervaar? Heel zelden, en dan nog maar heel eventjes. Blijkbaar ben ik daar nog niet rijp genoeg voor. Het is ook riskant om naar heel indringende ervaringen te verlangen. Dan wordt je geloof daar afhankelijk van en als je een tijd veel minder ervaart, begint het te wankelen. Je mag volgens mij je dagelijkse zorgen en noden best in gebed aan God voorleggen, als je maar geen wonderen verwacht of zelfs eist als een godsbewijs. Het luisterend oor van God kan vaak al helpen om met zorgen en angsten te leven."
In één adem met het bidden, noemt Muskens stilte en soberheid als sleutels tot geluk. "Soberheid? Jazeker. Ook een monnik geniet van wat er is, van de natuur, van eten en drinken, van vriendschap en schoonheid, van warmte en stilte. Maar genieten van wat er is, is iets anders dan genieten van wat je hebt. Dat geeft geen echt geluk. Dat zijn we in onze cultuur verleerd. We willen alsmaar meer hebben, meer kopen, op het neurotische af. Er zijn zelfs mensen die kampen met een koopverslaving. Zo verstoppen we ons voor de waarheid: kopen en hebben bevredigen niet, hoogstens een tijdje tot we weer naar wat anders verlangen. Geluk ligt in het loslaten van het moeten hebben en moeten kopen, omdat je snapt dat het hooguit goed is voor je ego, maar niet voor jezelf. Sober leven, is oefenen in loslaten. Als je sterft. moet je alles loslaten, toch zeker je bezittingen."
Bij zijn intrede in het klooster zal Muskens zelf van veel aardse geneugten afscheid moeten nemen. Zijn fameuze reislust, die hem op Antarctica na naar alle continenten voerde, zal drastisch worden beteugeld. Hij zal weinig bezoek meer ontvangen. Hij heeft geen auto met chauffeur meer, een faciliteit waar hij al vanaf 1970 gebruik van kon maken. "Het is waar, ik ben al die jaren door chauffeurs gereden. Goed beschouwd ben ik verwend. Ik heb me kunnen ontplooien, ik heb in mooie huizen gewoond en ben altijd goed verzorgd. Mijn belangrijkste bezittingen zijn drieduizend boeken en de verslagen en aandenkens van mijn reizen. Ik zie er verschrikkelijk tegenop dat allemaal weg te doen. Ik zoek voor alles een geschikte ontvanger. Zo heb ik een fotoboek van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie, met portretten van alle drieduizend toenmalige bisschoppen, aan mijn opvolger Hans van den Hende gegeven. Hij heeft een proefschrift geschreven over dat concilie. En een boek met driehonderd miniaturen van oud-testamentische taferelen heb ik aan een bevriende joodse mevrouw gegeven."
Uiteindelijk zal Muskens de monnik zelfs de sigaar, bijkans zijn handelsmerk, eraan geven. Hij denkt dat hij het kan. "Ik ben al eens eerder gestopt, vanaf 1989 tot 1994. Ik wilde mezelf bewijzen dat ik vijf jaar zonder roken kon. "De broeders hechten aan soberheid en ik wil op hun leefregels geen uitzondering zijn."
In het klooster staat de gewezen bisschop straks om zes uur op. Hij kleedt zich aan in zijn kamer, waar slechts een bed staat, een tafel, een stoel en één boekenkast. Zijn aow gaat naar de broeder-econoom van de abdij, zijn pensioen is straks zijn reisgeld.
"Mijn spaargeld gaat na mijn dood naar het Bisschop Muskensfonds, dat in beheer is van het bisdom, tenzij ik ziek word en heel veel zorg nodig heb. Ik ben een trots mens. Als kind en jongeman was ik verlegen en teruggetrokken, maar ik heb de vrijheid veroverd. En nu wil ik de stilte veroveren, ik wil de soberheid en de verinnerlijking aankunnen. Ik wil de rijkdom van dat leven leren kennen."
Bron: Brabants Dagblad