14-6-2007 / Column / Frank Bosman : Orgaandonatie als sacrament? |
Rond de BNN’s ‘Grote Donorshow’ is al veel publiciteit geweest. De goed gelukte stunt heeft veel aandacht gegenereerd voor de noodzaak van orgaandonatie. De katholieke kerk heeft traditioneel hier geen bezwaar tegen. Zij schaart deze daad zelfs onder de naasteliefde. Toch is er – mijn inziens – meer aan de hand. Orgaandonateurs nemen bijna letterlijk deel aan de zelfgave van Jezus: ‘Dit is mijn lichaam, mijn bloed’. Orgaandonatie als sacrament?
De RK kerk bestempelt orgaandonatie als iets positiefs. “U weet dat het kerkelijk leergezag van oudsher een constante en grote interesse heeft gehad in de ontwikkeling van de chirurgische praktijk van de orgaantransplantatie, bedoeld om mensenlevens te redden van een zekere dood en om de zieke mens de mogelijkheid te geven weer enige jaren te leven,” aldus paus Johannes Paulus II in ‘Signalen van de dood’ (2005). In de Katechismus van de Katholieke Kerk (KKK) staat letterlijk: “Orgaandonatie na de dood is een nobele en verdienstelijke daad en dient te worden aangemoedigd als een uiting van onbaatzuchtige solidariteit.” (2296) Iets verder op staat dan ook nog: “Het afstaan van organen na de dood is toegestaan en kan zelfs verdienstelijk zijn.”
Van groot belang voor de betekenis van teksten in de KKK is de plaatsing ervan. Nu staan de artikelen 2296 en 2301 onder de sectie ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’ (hfd. 2) en daarmee onder het liefdesgebod van Jezus zelf uit Lucas 10, 27. Hierin stelt Jezus de liefde tot God en tot de medemens aan elkaar gelijkwaardig. De Nederlandse Bisschoppen doen hetzelfde in een herderlijk schrijven uit 1995 getiteld ‘Orgaandonatie – Daad van naastenliefde’: “Wij spreken onze grote waardering uit voor de vele mensen die bereid zijn tot donatie van organen na hun dood. Dit is een wel bewuste vrijwillige gave om niet. Mensen geven op deze wijze uitdrukking aan hun solidariteit, zelfs over de dood heen en bieden anderen daardoor nieuwe levenskansen.”
De artikelen 2296 en 2301 staan echter ook nog in het grotere geheel van ‘Het Leven in Christus’ (deel III). Jezus heeft zich – met het gevaar een open deur in te trappen – nooit bezig gehouden met orgaantransplantaties, maar met het weggeven van zijn lichaam na zijn dood, heeft hij zich wel bezig gehouden. In Mattheus lezen we het zo overbekende “Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: ‘Drink allen hieruit, dit is mijn bloed’.” (26,26-28) Het zijn de woorden die in elke katholieke mis worden uitgesproken tijdens de consecratie. Marcus (14,22-24) en Lucas (22,19-20) laten Jezus in vergelijkbare bewoordingen spreken over zichzelf.
Johannes vermeldt geen Laatste Avondmaal, maar laat Jezus vaak spreken over zijn eigen lichaam. De bekendste is wellicht: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.” (Jo. 6,51) Dergelijke bewoordingen klinken op vele plaatsen in Johannes.
Wat de evangelisten precies hebben willen aanduiden met hun verhalen over Jezus die zijn eigen lichaam geeft voor het welzijn van de mensheid is onderwerp van blijvende discussie onder gelovigen en wetenschappers. Om in het taalkader van de evangelisten (en daarmee ook in dat van Jezus zelf) heeft het te maken met Jezus’ zelfbeeld. Vervuld van joods-religieus vertrouwen beschouwde Hij zichzelf als de messias die het Joodse volk zou komen bevrijden. “Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.” (Jo. 10, 11) Vast en zeker besefte hij zelf terdege dat zijn gedrag door enkele figuren uit de politieke en religieuze elite hem erg kwalijk werd genomen. Zelfbewust nam hij het risico van zijn executie. De evangelisten schetsen een Jezus die zijn dood zag aankomen, en zich erop voorbereide. Johannes verwoordt het ’t duidelijkst: “Wie niet mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, zal niet gered worden.” (Jo. 6,54)
Dat ‘deel hebben’ aan het lichaam en bloed van Jezus is door de zich na zijn dood snel ontwikkelde kerk al snel geïnterpreteerd als deel hebben aan de unieke liefdesrelatie van Jezus met zijn God. Tot en met de documenten van Vaticanum II is een van beelden om over de kerkelijke gemeenschap te spreken ‘mystiek lichaam’ en ‘lichaam van Christus’. Het verzoek van Jezus ‘doet dit tot mijn gedachtenis’ is het begin geweest van een steeds verdere sacralisering van de rituele, van oorsprong Joodse maaltijd. Tijdens het Avondmaal (protestants) of de Consecratie (katholiek) ervaren christenen op bijzondere wijze de nabijheid van ‘hun’ Christus.
De vraag naar de betekenis van Jezus’ lijden en sterven, is ook een moeilijke. Beelden uit de christelijke geschiedenis, zoals zoenoffer, plaatsvervangende uitboeting of het wegnemen van ‘Adams schandvlek’, hebben in deze laat-moderne tijd hun vanzelfsprekendheid verloren. Wat wel zeker lijkt, is dat de Jezus zoals die uit de evangeliën tot ons spreekt, zijn lijden en dood vrijwillig op zich heeft genomen. Hij meende dat zijn dood – als het opgeven van zijn eigen lichaam, en daarmee zijn leven – iets positiefs zou kunnen betekenen voor de mensheid. ‘Hij heeft zijn leven gegeven tot het uiterste toe’, zo leest het 7e Eucharistische Gebed. En: ‘Wat liefde is, hebben wij geleerd van Jezus: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven.’ (1 Jo. 3,16).
De eucharistie wordt in de katholieke traditie (in de praktijk althans) min of meer beschouwd als het belangrijkste sacrament van de christenheid. “Bron en hoogtepunt” van het kerkelijk leven, noemt Vaticanum II dat (Sacrosanctum Concilium 10). En deze ‘bron’ bestaat uit een mens die zijn leven gegeven heeft opdat anderen (eeuwig) kunnen leven. Het hoogtepunt van liefde bestaat immers “hierin dat hij zijn leven voor hen (vrienden) geeft.” (Jo. 15, 13)
Nu terug naar BNN’s Grote Donorshow en de kwestie van orgaandonatie. Is het vreemd – in het licht van het voorgaande – om een link te zien tussen de Jezus van het Nieuwe Testament en de ‘gelovigen’ in het hier en nu? Tussen Jezus die zijn lichaam heeft opgegeven voor onzent wil en donateurs die hun organen willen afstaan opdat voor hen vaak onbekende ‘vrienden’ verder kunnen leven? Natuurlijk loopt de vergelijking op vele punten mank. Jezus werd geëxecuteerd en moderne orgaandonateurs kunnen rustig ervan uit gaan dat zij in vrede en rust kunnen sterven als hun tijd er is. Van Jezus’ gestorven lichaam kunnen we spreken als een genadegave aan de gehele mensheid, terwijl orgaandonateurs ‘slechts’ voor één of enkele mensen redding kunnen betekenen.
Maar aan de andere kant. Als het meest gevierde en geëerde sacrament draait om een mens die zijn hele hebben en houwen, zijn hele lichaam heeft willen prijsgeven aan de dood omdat Hij er rotsvast op vertrouwde dat het ‘goed’ was voor de mensen, delen orgaandonateurs – gelovig of niet – niet op bijzondere wijze in dat ‘Jezusoffer’? Door het invullen van een registratieformulier zegt de toekomstige donateur: ‘Neem, dit is mijn lichaam. Gebruik het goed en leef!’ En is dat niet de kern van ons geloof?
Drs. Frank G. Bosman, theoloog en publicist