7-10-2007 / Toespraak mgr. Ranjith ter ere van 40-jarig jubileum Vereniging Latijnse Liturgie |
DEN BOSCH - Aartsbisschop Malcolm Ranjith Patabendige Don, secretaris van de Vaticaanse Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ging gisteren voor in de kathedraal van Den Bosch in een volledig Latijnse Mis. Onderstaand de tekst van de rede die hij tijdens die gelegenheid uitsprak.
Geloof, gehoorzaamheid en theologie: Uitdagingen voor de zending van de Kerk van vandaag
Excellentie, de Apostolisch Nuntius, mgr. François Bacqué
Edelachtbare,
Dierbare broeders,
Voorzitter en leden van de Nederlandse Vereniging voor Latijnse Liturgie,
Geachte dames en heren,
Ik ben zeer verheugd de mogelijkheid te hebben gekregen om de Heilige Mis op te dragen en dit eminente gezelschap te mogen toespreken bij gelegenheid van de jaarlijkse algemene vergadering van uw Vereniging. Ik dank u vriendelijk voor het feit dat u mij hiervoor hebt uitgenodigd.
In zijn Post Synodale Apostolische Exhortatie heeft de Heilige Vader opgeroepen tot een frequenter gebruik in de liturgie van het Latijn en eveneens van het Gregoriaans, daarbij aanbevelend dat ook de lekengelovigen geholpen moeten worden de vaste gebeden en gezangen in de liturgie in het Latijn te zeggen en te zingen [nr. 62]. Het is in deze gelukkige situatie voor u die van deze taal en het gebruik ervan in de liturgie houdt dat ik gekomen ben deze dag met u door te brengen en u bij uw inspanningen aan te moedigen. En gebruikmakend van deze gelegenheid dacht ik u vandaag te spreken over een aangelegenheid die van groot belang is voor het leven van de Kerk: geloof en gehoorzaamheid in de studie van de theologie en in de betekenis van de discipline die de zending van de Kerk zou moeten begeleiden.
Het is geen verrassing dat de schrijvers van de Heilige Schrift en juist de overleveringen achter het verhaal van Genesis over de schepping en de zondeval de val van de mens visualiseren in termen van een daad van trots en ongehoorzaamheid. Het brengt de mens ertoe om slaaf te worden van zijn eigen instincten waarbij hij streeft naar macht en overheersing en hem niet alleen brengt tot jaloezie en moord [Gen 4, 1-16], maar ook tot gelijkheid met God. Hij wordt zijn eigen god en wenst een toren te bouwen waarvan de spits tot de hemel reikt [Gen 11: 4]. De eerste 11 hoofdstukken van het boek Genesis zijn zo het verhaal van ongehoorzaamheid en vervreemding van God. Maar het eindigt daar niet. God laat in zijn grote barmhartigheid de mens niet over aan zijn lot van zelfvernietiging waarin hij zichzelf had geplaatst. Hij roept en vestigt in het geloof van Abraham het begin van de heilsgeschiedenis.
Abraham antwoordt met diep geloof en gehoorzaamheid en wordt zo de vader van het volk Israël, het door God gekozen instrument voor de verlossing van de wereld [Deut. 7, 7-8]. En zoals het in de brief aan de Hebreeën staat: Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God om op weg te gaan naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen en hij vertrok zonder te weten waarheen hij ging. [Hebr. 11, 8]. De schrijver van de brief gaat dan op weg in een ontdekkingsreis van geloof en gehoorzaamheid aan God van al zijn dienaren door Abraham tot Mozes en Jezus die eindigt met de aansporing: Houdt onze ogen op Jezus gericht, de leidsman en voltooier van ons geloof. In plaats van de vreugde die Hem toekwam, heeft Hij het kruis op zich genomen en de schande niet geteld: nu zetelt Hij aan de rechterkant van Gods troon [Hebr. 12, 2 ]. De geschiedenis van het heil is zo een verhaal van geloof en gehoorzaamheid.
Het verbond dat op de berg Sinaď wordt bekrachtigd [Ex. 24, 3-16], bevestigt nogmaals de relatie tussen God en de mensheid door de gehoorzaamheid van Israël. Het wordt bezegeld door het boek van wetten - de Tora - dat God zijn volk geeft.
Leven vanuit de wetten van het verbond kenmerkt zo de hele geschiedenis van het volk Israël; zegeningen zijn het resultaat van gehoorzaamheid en lijden is het resultaat van de tegenovergestelde houding. Gehoorzaamheid wordt geëist zowel van het individu als van het hele volk en er wordt aangetoond dat zegeningen of rampen vanzelf voortvloeien uit hun individuele of collectieve reactie. In feite drukt gehoorzaamheid een reactie van liefde uit jegens God door het volk Israël. Het is niet zozeer een verbond in de vorm van ‘geven en nemen’, zoals in die tijd gangbaar was in de verdragen van de Hettieten met hun vazalstaten, maar een overeenkomst van een vertrouwelijke liefdesverbintenis tussen God en Israël, voorgesteld als die tussen een vader (moeder) en zijn (haar) zoon [Ex. 4, 22; Is. 49, 14-15; Jer. 3, 19; 31: 9, 20; Hos. 11,1-11] of van man en vrouw [Is. 54: 5-8; Jer. 2: 2; 3: 20; Hos. 2: 4-25].
De formulering die het verbond aanduidt, wordt weergegeven naar het voorbeeld van een huwelijksbezegeling: ”Ik zal uw God zijn, gij zult mijn volk zijn” [Hooglied 7, 11]. De eisen die aan het volk en aan God worden gesteld, wijzen wezenlijk niet alleen op een geest van gehoorzaamheid en de dienstbaarheid, maar op veel diepere deugden van liefde en trouw [Ps. 117, 1-2]. Bovendien is het God die de eerste aanzet geeft. Hij hield het eerst van de mensheid [Deus Caritas est 1]. Ontrouw in de vorm van afgoderij en morele ongehoorzaamheid leiden het volk niet alleen tot het lijden en dood, maar ook tot de slavernij en ballingschap in vreemde landen. Daarenboven is het recht om het land in bezit te nemen een gevolg van Israëls trouw aan het verbond. En derhalve zijn invasie en ballingschap de vruchten van ongehoorzaamheid.
De volledige deuteronomische hervorming en de totstandkoming van het profetendom zijn de gevolgen van constante verleiding en de aantrekkingskracht welke Israël voert tot afgoderij, ontrouw en onoprechtheid die het volk van God wegdrijven.
Jezus en nieuwe Tora
Zoals Paus Benedictus in Jezus van Nazareth uiteenzet, voltooide Jezus de vorming van het volk van God door zowel de sluier op te heffen die de heidenen belette om binnen te gaan in de gemeenschap met God en door het introduceren van de nieuwe Tora van liefde, die de wet is van het meer perfecte en eeuwige verbond met woorden van gezag: “Maar Ik zeg aan u..." [Mt. 5, 22 en elders]. Het volk van dit meer perfecte verbond deed alle grenzen vervagen, een universele gemeenschap - Joden en heidenen samen - in en door Hem met elkaar verbonden in het vrije en bewuste leven vanuit de wet van liefde die Hij hen gaf en met Zijn eigen bloed bekrachtigde - "Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed dat voor u vergoten wordt” [Lc. 22, 20].
De Paus verklaart dit als volgt: “Dit herstructureren van de sociale orde vindt zijn basis en zijn rechtvaardiging in Jezus’ aanspraak dat Hij, met zijn gemeenschap van leerlingen, de oorsprong en het middelpunt van het nieuwe Israël vormt”, [Jezus van Nazareth, Doubleday, New York 2007, p. 114] en dat "Hij niet onderwijst zoals de schriftgeleerden, maar als iemand met gezag [Mt. 7: 28 e.e.] [ibid p. 102]. En dit gezag kwam Hem toe door het feit dat hij inderdaad de Messias was, de Gezalfde
Gods. Aldus wordt de trouw aan Jezus en het leven vanuit de nieuwe Tora die hij zijn leerlingen gaf de essentiële voorwaarde om tot de gemeenschap van het nieuwe verbond te behoren - de enige poort naar het Koninkrijk Gods. De Paus verklaart: "in het geval van Jezus is het niet de universeel bindende aanhankelijkheid aan de Tora die de nieuwe familie vormt. Eerder is het aanhankelijkheid aan Jezus zelf, aan zijn Tora" [ibid. P. 115].
En Jezus wil dat zijn leerlingen persoonlijk zijn eigen voorbeeld volgen niet alleen door Hem te aan te nemen, maar bovenal om zo te leven als Hij deed, Hem te volgen tot op het kruis. "Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen en Mij volgen” [Mc. 8, 34]. In het geval van het Oude Verbond was het de trouw aan de Tora die het individu of de gemeenschap verzekerde van het besef de Heer toe te behoren en onder zijn liefdevolle zorg te vallen. Maar in het Nieuwe Verbond is het niet zo zeer een kwestie van aanhankelijkheid aan een wet als wel aan een persoon: Jezus. Van Hem houden, Hem volgen en Hem navolgen was de essentiële voorwaarde. In feite is Jezus’ gebod van liefde: “Hebt elkaar lief, zoals Ik u heb liefgehad [Joh. 13, 34] een gebod dat allen aanspoort om zijn eigen voorbeeld van liefde te volgen. Liefde is niet wat wij voelen dat het is, maar de wijze waarop Hij het voorleefde. En Jezus leefde echt zo diep en onbaatzuchtig vanuit zijn liefde voor de mensheid dat Hij zijn leven voor hen gaf: “Niemand kan een grotere liefde hebben dan om zijn leven te geven voor zijn vrienden” [Joh. 15, 13] of “Ik geef mijn leven voor mijn schapen” [Joh. 10, 11]. Het is niet een leven dat door anderen wordt weggenomen, maar door Jezus zelf wordt gegeven.
Sint Paulus, die een oude Belijdenishymne van de Kerk citeert, beeldt het gehele leven van Christus uit als een van in twee bij elkaar horende momenten: de liefdevolle en vrijwillige zelfontlediging door Jezus en zijn verheerlijking in Gods handen, hetgeen zijn doopsel verbeeldt. Voor Hem, Jezus, de Christus, “ofschoon Hij bestond in de gestalte van God heeft zich niet willen vastklampen aan gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd; Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan het kruis. Daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is de Heer” [Fil. 2, 5-11]. De belangrijkste zinsnede in de hymne bestaat uit de woorden “gehoorzaam tot de dood” [vs. 8]. Het Griekse werkwoord "hupekoos" dat hier wordt gebruikt, moet verstaan worden als het tegenovergestelde van de daad van
ongehoorzaamheid van Adam. St. Paulus zelf verklaart het zo: “Zoals door de ongehoorzaamheid (parakohes) van één mens velen zondaars werden, zo worden door de gehoorzaamheid (hupakohes) van één velen gerechtvaardigd” [Rom. 5,19]. Het theologisch woordenboek van het Nieuwe Testament door Gerhard Kittel zegt dat “hupakohe” in het algemeen wordt gemeten naar de houding van gehoorzaamheid aan God” [blz, 224 vol 1]. St. Paulus plaatst het tegenover “hamartia” – zonde. St. Paulus zegt: “ofwel u dient de zonde [hamartia] – en dit loopt uit op de dood – ofwel de gehoorzaamheid [hupakohe] die leidt tot gerechtigheid” [Rom. 6, 16].
De gedachte is duidelijk. Jezus’ hele leven dat de vervulling van de geschiedenis van het heil is, is er één van volkomen gehoorzaamheid aan de Vader gezien en begrepen tegen de achtergrond van de ongehoorzaamheid van Adam. In de brief aan de Galaten staat dat de Heer Jezus “zich heeft gegeven voor onze zonden om ons om ons te ontrukken aan deze door het kwaad beheerste wereld overeenkomstig de wil van onze God en Vader aan wie de heerlijkheid zij tot in alle eeuwigheid. [Gal. 1, 4]. Jezus verklaarde het in feite zo: “Ik ben uit de hemel gekomen niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die mij gezonden heeft [Joh. 6, 38] of “Ik zoek niet mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft” [Joh. 5, 30]. Hij verstaat zijn zending op aarde als het tot stand brengen van het soort gehoorzaamheid welke door God wordt vereist, zodat zijn goddelijke koningschap op aarde verwezenlijkt kan worden. In en door Jezus en de Kerk komt God zo binnen in de geschiedenis der mensen in de volste zin en aldus wordt zijn Koninkrijk definitief gevestigd. Deze Kerk of gemeenschap van “geroepenen” is de mystieke aanwezigheid van Jezus in de geschiedenis der mensen en de manifestatie van Gods Koninkrijk op aarde. En zoals het Lumen Gentium het stelt: (Deze gemeenschap) bevindt zich in de Katholieke Kerk, die door de opvolger van Petrus en de met hem verenigde bisschoppen wordt bestuurd” [LG 8]. En verder, "hoewel vele elementen van heiliging en van waarheid buiten haar zichtbare structuur, te vinden zijn die, als eigen gaven van de Kerk van Christus, naar de katholieke eenheid heen stuwen” ibid]. De Kerk bestaat aldus om het proces van heiliging en bevrijding uit te breiden welke Jezus tot vervulling bracht door zijn gehoorzaamheid aan de Vader. Haar opdracht is het precies Jezus na te volgen in zijn grote daad van gehoorzaamheid aan de Vader, zodat God opnieuw kan binnentreden in de menselijke realiteit en er alles van kan louteren in de schepping van “de nieuwe hemel en de nieuwe aarde” [II Petr. 3, 13], dat het Koninkrijk van God absoluut en volledig in de wereld kan worden gevestigd. De Kerk wordt zo de plaats van diep gevoel van gehoorzaamheid van de mensheid aan God. Het is op deze wijze dat God voortdurend opnieuw binnen treedt in de menselijke werkelijkheid en haar omvormt en loutert. Gehoorzaamheid in navolging van Jezus moet niet louter gezien worden als een last of het aanvaarden en gelovig ten uitvoer brengen van een wet of een norm, maar eerder als een weg tot heiliging en het heilig maken van alle menselijke en kosmische werkelijkheid.
Deze opdracht is inderdaad heilig en liturgisch. In de bekende vermaning van St. Paulus ons leven te veranderen in een offer [logiké latreia] dat aanvaardbaar is voor God, zegt hij: “Ik vermaan u, broeders, bij Gods erbarming om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst die u past. U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, welgevallig en volmaakt” [Rom. 12, 1-2].
Het is deze zelfde betekenis van gehoorzaamheid en discipline in het leven van een christen wat zijn of haar rol in de Kerk ook is, die doeltreffende geloofwaardigheid geeft aan wat Jezus vertegenwoordigt: een leven van totale en zelf verloochende onderwerping aan de wil van de Vader. In een wereld die overheerst wordt door egoďsme en er uit voortvloeiende gevolgen van individualisme, subjectivisme en relativisme, waar in de naam van vrijheid iedere spoor van gezag als een last en een hindernis voor menselijke vrijheid wordt verworpen, moet de Kerk zichzelf manifesteren als de gemeenschap van God die bestaat uit diegenen in wier leven de aanvaarding van en onderwerping aan Gods wil en een edel gevoel voor eenheid duidelijk naar voren zouden moeten komen. Als de wereld vrijheid voorstelt als “vrijheid van”, moet de Kerk vrijheid standvastig weergeven als “vrijheid voor”.
Als de wereld een plaats wenst te worden waar verwarring en tegenstrijdige filosofieën, waarden en een kakofonie van lawaaierige en wanordelijke politieke richtlijnen het menselijke leven neurotisch maken, moet de Kerk het teken van waarheid, goedheid en schoonheid zijn die in hun meest verheven vorm verwijzen naar Gods eigen wezen. Als de wereld de marktplaats van hebzucht en het reduceren van het menselijke geslacht tot voorwerp van consumentisme is geworden, dan moet de Kerk de gemeenschap worden die Gods eigen voorzienigheid verheerlijkt en wijst op de betekenis van onpartijdigheid en op eerbied vooral voor hen die slachtoffer worden van dergelijke hebzucht. Als de wereld de arena wordt van morele laksheid, hedonisme en de onderwerping van mensheid aan voorbijgaande en lege fascinatie, dan moet de Kerk het teken van de zuiverheid en heiligheid van God zijn.
Met andere woorden de Kerk kan niet de arena van verwarring, filosofisch of moreel relativisme, sofisme en een casuďstisch aftreksel zijn van de geopenbaarde waarheid die het fundament van haar Credo is, het Woord Gods zoals geopenbaard in Heilige Schrift en de Traditie van de Kerk en wordt verklaard door het officiële leergezag van de Kerk en open verschil van mening of openbaar debat zelfs om wille van de vrijheid van theologisch onderzoek. Mijn gedachte gaat terug naar het verhaal van de bouw - of laat ons zeggen de poging daartoe - van de Toren van Babel. Zijn bouwers waren ervan overtuigd dat zij de hemel met eigen middelen en op eigen kracht zonder God konden beklimmen. Is zo’n zelfde geest wellicht in een meer verfijnde vorm niet opnieuw verschenen in de wereld en de Kerk van vandaag? Er zijn sommige mensen die zelfs beweren dat zij de Kerk maken alsof de Kerk een schepping van ons mensen is. Maar de Kerk is niet wat wij ervan maken. Zij is hetgeen Jezus stichtte en blijft voeden en ondersteunen. Er staat in Lumen Gentium: "Christus, de enige Middelaar, heeft zijn heilige Kerk, gemeenschap van geloof, hoop en liefde, in deze wereld gevestigd als een zichtbare instelling die Hij voortdurend ondersteunt en waardoor Hij aan allen genade en waarheid meedeelt” [LG 8]. Het is derhalve, zelfs in haar zichtbare gestalte, een goddelijke instelling die wordt geroepen om te leven en om in de wereld Gods eigen heiligheid, waarheid en schoonheid waar te maken, evenals harmonie en vrede, die alleen uit Hem voortkomt. Want zoals St. Paulus zegt: “God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen” [1 Kor. 14: 33].
De Kerk is geen vereniging, federatie of democratie die bestaat uit gelovigen. De Kerk is het mystieke lichaam van Christus met haar eigen innerlijk leven welke van Christus komt, die haar hoogste en onzichtbaar hoofd is. Zij heeft haar zichtbare structuur die niet van het mystieke gescheiden moet worden. Het Concilie stelt: “De hiërarchisch georganiseerde maatschappij en het mystieke lichaam van Christus, de uitwendige zichtbare groep en de geestelijke gemeenschap, de aardse Kerk en de met hemelse gaven bedeelde Kerk, mogen wij niet als twee dingen beschouwen: zij vormen integendeel één complexe werkelijkheid, samengesteld uit een goddelijk en een menselijk element” [LG 8]. Het Concilie gaat dan verder deze mystiek goddelijke – menselijke verbinding te vergelijken met het geheim van de incarnatie zelf [cfr LG 8] . Het is, zoals het Concilie verder bevestigt, de ene, heilige Katholieke en apostolische Kerk aldus verwijzend naar haar uniciteit, haar bijzondere roeping, haar universele karakter en haar missionaire dimensie. De hiërarchische aard van de Kerk, zoals hetzelfde document bevestigt, komt niet van een oriëntatie van basis naar top, maar juist andersom. Christus is de opperherder en de bruidegom van de Kerk. Hij heeft haar gevestigd op het fundament van de apostelen en, zoals het Lumen Gentium verder verduidelijkt; "na de verrijzenis heeft onze Verlosser haar aan Petrus overgedragen om de schapen te weiden [Joh. 21,17] en heeft hem en de andere apostelen opgedragen haar te verspreiden en te besturen [cf. Mt. 28, 18 e.v.]. Haar heeft Hij voor eeuwig opgericht als pijler en grondslag van de waarheid” [1 Tim. 3, 11] [ LG 8 ]. En aangezien de Kerk onderwijst, door de apostolische successie en de macht te binden en te ontbinden, wordt het college van de apostelen met Petrus aan het hoofd, opgevolgd door het college van Bisschoppen die met de Paus die het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid zowel van de bisschoppen als van de hele gemeenschap van gelovigen is [LG 23] het hiërarchische leiderschap van de Kerk. Lumen Gentium 22 stelt voorts: “De paus van Rome bezit, juist krachtens zijn ambt als plaatsbekleder van Christus en herder van de gehele Kerk, de volledige hoogste en universele macht over de Kerk, die hij vrij kan uitoefenen” en verder: “Het college van bisschoppen heeft geen gezag tenzij verenigd met de paus van Rome de opvolger van
Petrus, als zijn hoofd" [LG 22]. Natuurlijk, zoals Jezus vaak uitdrukte, moet alle gezag in de Kerk worden uitgeoefend in een pastorale zin – op die liefdevolle en zorgvuldige, evenals zacht leidende manier van de goede herder en niet van hen die de baas willen spelen [cfr 22: 25-26]. Op voorwaarde dat het gezag in de Kerk wordt begrepen en uitgeoefend als een dienst, eerder dan als een middel van overheersing in egoďstische zin, is het wezenlijk dat de eenheid niet alleen in haar
communautaire vorm, maar ook in haar bestuur wordt bewaard en de efficiënte uitvoering van haar opdracht wordt vergemakkelijkt. Onenigheid is mogelijk, maar zou geen schade moeten kunnen toebrengen en een oorzaak van verdeeldheid, vijandigheid en een teken van mondaine lichtzinnigheid worden. Zoals wij in die bijzondere beschouwing van de vroege christengemeenschap bij het eerste concilie van Jeruzalem zien [Hand. 15, 6-29], zelfs als de op het spel staande kwestie, de kwestie van onbesnedenen, door hen verschillend wordt beoordeeld, zij allen erin toestemmen om een eendrachtige houding aan te nemen na gebed en na het luisteren naar de verschillende meningen van Paulus, Barnabas, Jacobus en Simon Petrus. De stem van Petrus was hier beslissend en Jacobus was het met hem eens. De zaak van de eenheid werd op deze wijze het best gediend. Het was een discussie onder broeders en niet in de rechtbanken van de Romeinse burgerlijke of religieuze hoven of in de Areopagus van Athene. Het concilie van Jeruzalem was een ervaring van gemeenzaamheid waarin de stem van apostelen, vooral die van Petrus, de toon zetten voor wat werd besloten.
Meningsverschil en zelfs debat maken deel uit van het onderzoek naar een interpretatie van iemands geloof gegeven de beperktheid van het menselijke verstand. Aangezien de theologie zelf "fides querens intellectum" is en gebaseerd is op de centraliteit van het geloof "credo ut intelligam", kan zonde er toe leiden dat het zoeken naar dat begrijpen geďrriteerdheid en verwardheid veroorzaken. Want geloof kan niet samengaan met zonde en intellectuele arrogantie. Het vereist luisteren, stilte en
bovenal gebed dat het hart en de geest voorbereidt om het woord Gods te ontvangen. Waar een dergelijke houding niet heerst, kan het meningsverschil de zoeker ertoe brengen om een gevangene van zijn eigen gedachten te worden, zich gesteund te voelen door overwegingen van zelfoverschatting en trots die leiden tot een openlijke afwijkende mening die voor het geloof schadelijk zou kunnen zijn. Het zal juist het tegenovergestelde effect veroorzaken en kan iemand brengen op de weg van ongehoorzaamheid en hem ten prooi doen vallen aan de machinaties van de duivel. Het voorbeeld van het concilie van Jeruzalem is hier belangrijk - zodra Simon Petrus de toon zette, nam het debat een beslissende wending naar het vaststellen van een aanvaardbare oplossing die het meest in het belang van de opdracht van de Kerk is. In de Handelingen van Apostelen staat dat “na veel discussie Petrus opstond en zei….” [Hand. 15, 7] en verrassend staat er dan in de Handelingen dat aan het einde van Petrus’ verhandeling “heel de vergadering stil werd” [Hand. 15, 12] en Jakobus ondersteunde wat Petrus had gezegd waarmee een eind aan de discussie kwam met een besluit dat voor allen goed was.
Overigens, daar de Kerk een geestelijke gemeenschap is, verrijkt door het leven van genade die vanuit Christus vooral in het sacrament van de heilige Eucharistie stroomt, zou het van bijzonder belang voor al haar leden moeten zijn na te denken over en te leven vanuit die vertrouwelijke gemeenschap met de Heer en in Hem met alle broeders en zusters, zo vruchtbaar en zo echt als maar mogelijk is. Alles zou dan ook in het werk moeten worden gesteld om niet de innerlijke dynamiek van de Kerk te verlagen door ons egoďsme en onze zondigheid, vooral door intellectuele trots en arrogantie. Eer bewijzen aan God en de Kerk, het mystieke Lichaam van Christus, opbouwen ten einde haar de gelegenheid te geven haar zending daadwerkelijk voort te zetten zou belangrijker moeten zijn. Het is hier dat een diepe geest van zelfverloochening, gevoel van deemoed voor het mysterie van Gods wegen en een bewustwording dat het leven van Christus op een of andere manier aanwezig is
en actief is in de Kerk en in de persoon van plaatsbekleder van Christus zou ons allen moeten bezielen, vooral de bisschoppen, priesters, religieuzen, theologen en de deskundigen in de verschillende kerkelijke disciplines. Wij zouden ons altijd de woorden van Jesaja moeten herinneren: “Wie heeft het water gepeild met de palm van zijn hand en de hemel met de handspan gemeten, wie heeft in een maatje het stof van de aarde afgepast, de bergen in een weegschaal gelegd, en de heuvels in een balans afgewogen? Wie kan de geest van de Heer ordenen, en wie heeft Hem raad en onderricht gegeven? Met wie heeft Hij beraadslaagd om inzicht te krijgen, om de weg van het recht te weten, om de weg van het inzicht te verstaan?” [Jes. 40, 12-14] Sprekend over de wijsheid roept Job uit: “God alleen kent haar pad en weet waar zij zich ophoudt …… Dan zegt hij tegen de mens: “Wijsheid? Wijsheid is: de Heer vrezen, het kwaad vermijden” [Job 28, 23-28]. Het is hoogst betreurenswaardig te moeten opmerken dat wij vaak genoeg de neiging hebben te vergeten dat er een veel hogere opdracht in onze handen ligt dan ons bezig te houden met
haarkloverij in een theologisch debat. Zelfs de theologie staat ten dienste van het geloof en is niet zijn meester. Het geloof komt eerst en dan pas de theologie. Want als er geen geloof is in de theologie, dan zou zij slechts een kwestie van woorden en leeg lawaai zijn die niet effectief bijdraagt aan de opdracht van de Kerk.
Een zogenaamde dissidente theoloog uit Azië schreef onlangs als volgt: "Veel christenen in Azië zijn steeds minder in staat om te denken aan verlossing uitsluitend in termen van de Kerk of slechts door Jezus Christus als middelaar. Wij zijn gaan beseffen dat een dergelijke mening zou inhouden dat de overgrote meerderheid van de mensen van Azië niet gered zou worden. Het is langzamerhand tot ons doorgedrongen dat dit niet aanvaardbaar is. (...) Hoe meer ik het vraagstuk van de verlossing
bestudeerde, des te meer ik doordrongen raakte van de ernstige ontoereikendheid van het doctrinaire onderwijs van de Kerk " [Tissa Balasuriya, From Inquisition to Freedom, Continuum 2001, blz. 90]. En verder: "In Azië waar het christendom een minderheidsgodsdienst is, kunnen wij niet aanvaarden dat de gehele mensheid in de erfzonde leeft in die zin dat de mensen van God vervreemd zijn. Wij kunnen niet aanvaarden dat al onze voorouders in de hel zijn. Met betrekking tot de verlossing heb ik mijn mening gehandhaafd dat Jezus geen prijs aan God moest betalen om ons te redden, hoewel deze interpretatie zo in onze gebeden, hymnes en opvattingen is doorgedrongen. (…) De opdracht van de Kerk is niet zo zeer te bekeren tot het christendom als wel allen te bekeren tot menselijkheid [ibid. pg.
105]. Wat ik hier zie is een benadering van de theologie die beroofd is van dat gevoel van geloof en transcendentie en eerder aangepast is aan de humanisering van de maatschappij, dan haar vergoddelijking. De opdracht van Jezus die het tijdperk van Gods koninkrijk in het menselijke leven wilde inluiden, was zeker niet beperkt tot het louter menselijker maken van de mens. Dat soort interpretatie minimaliseert zeer de grote opdracht van Jezus. Bovendien is het nogal subjectief zonder
dat er enige aandacht wordt geschonken aan de objectieve bronnen van goddelijke openbaring: de H. Schrift en de Traditie van de Kerk, waarvan de laatstgenoemde nogal snel wordt verworpen als een creatie van wat ‘orthodoxie’ wordt genoemd. Dezelfde schrijver verwerpt wat hij absoluut gezag noemt en zegt dan: "Er komt een punt waarop wij moeten zeggen dat de eeuwige bestemming niet door bepaalde personen wordt vastgesteld of door wat orthodoxie wordt genoemd, maar door iemands geweten en door onze verhouding met het goddelijke" [ibid. pg. 108]. Beide laatstgenoemde principes zijn, zoals wij kunnen zien, van een subjectieve orde.
De verwerping van de objectieve openbaring plaatst dergelijk getheologiseer buiten het domein van het geloof en wanneer het eenmaal een voorwerp van debat wordt, leidt het tot houdingen die onverenigbaar zijn met de edele spirituele opdracht van de theologie welke gericht is op “het opbouwen van de Kerk” [cfr 1 Kor. 14: 4]. Het is goed hier op te merken dat St. Paulus Timoteüs waarschuwde op zijn hoede te zijn voor “wie een afwijkende leer verkondigt en zich niet houdt aan de
gezonde leer van onze Heer Jezus Christus, de doctrine die in overeenstemming is met de ware godsdienst, is een verwaand mens, hoewel hij niets weet, maar een voorliefde heeft voor twistvragen en woordenstrijd” [1 Tim. 6, 3-4]. Dit soort houding kan allen beďnvloeden indien er niet voor wordt gezorgd dat wij er altijd een houding van nederigheid op na houden ten aanzien van de grote geheimen Gods.
Heden ten dage heeft de Kerk meer dan ooit mannen en vrouwen nodig die in hun leven dat gevoel van nederigheid en zelfverloochening evenals van gehoorzaamheid aan de wil van God uitbeelden welke zich op een speciale manier manifesteert door de Kerk en haar zichtbare hoofd, de paus van Rome. Discussie en beraad op broederlijke wijze, ja, maar als het uiteindelijk niet leidt tot een geest van gehoorzaamheid in dienst van de eenheid dan verdeelt het en kan slechts worden geďnterpreteerd als een manifestatie van de opzet van de duivel om de edele opdracht van Christus te verstoren en te vertragen. Zelfs zij die kerkelijk purper of rood dragen zijn niet vrijgesteld van duivelse bekoringen. Wij zien dit tegenwoordig helaas tamelijk vaak gebeuren. Het is geen zeldzaam verschijnsel het optreden van geestelijken op verantwoordelijke posities te zien die, door tussenkomst van de media en krachten die vijandig staan ten opzichte van de Kerk, kritische verklaringen afleggen in de richting van de paus van Rome of van de dicasteriën die zijn besluiten uitvoeren. Anderen nemen een houding aan van negeren en veronachtzamen van zulke richtlijnen en brengen zo grote schade toe aan de zending van de Kerk - vooral in de zin van verlies en verwarring die dergelijke houdingen bij de gelovigen teweegbrengen. St. Paulus verhaalt ons hoe hij veranderde, toen hij Jezus ontmoette op de weg naar Damascus: hij was niet langer meer de trotse en ijverige Jood die de Kerk vervolgde. Hij zegt: “Maar wat winst voor mij was, ben ik omwille van Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als
verlies, want het kennen van mijn Heer Christus Jezus gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsgegeven, en ik beschouw alles als afval als het erom gaat Christus te winnen” [Fil. 3, 7-8]. En verder: "Ik ben met Christus gekruisigd; ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij” [Gal. 2, 20]. Wat voor hem telt is niet zo zeer wie hij is of wat hij denkt, maar wat hij is geworden, want Christus bezit hem en leeft in hem. Het is dit nieuwe leven dat hem apostel van Christus maakte, die op zijn beurt
geroepen werd, zoals St. Jan de Doper, zijn persoonlijkheid naar de achtergrond te laten verdwijnen om Christus in zijn leven duidelijk naar voren te laten komen.
Dit zou – naar ik meen - onze eigen houding moeten zijn, vooral in deze onrustige dagen: “Hij moet groter worden, ik moet kleiner worden” [Joh. 3, 30]. Wij moeten de Heer bidden dat wij allen blijven zoals Hij die, hoewel Hij Gods gestalte was, de gestalte van een slaaf heeft aangenomen en gehoorzaam geworden aan de Vader aanvaardde de dood te ondergaan, de dood aan een kruis. Moge Hij de Kerk zegenen en bewaren!
Dank u.
+ Aartsbisschop Malcolm Ranjith
Secretaris,
Congregatie voor Goddelijke Eredienst
en de Regeling van de Sacramenten,
Vaticaanstad, 6 oktober 2007
Bron/lees verder:
Vereniging Latijnse Liturgie