Reglement van het R.-K. Kerkgenootschap van 1927
Hieronder volgt de tekst van de Reglement voor het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland, zoals de bisschoppen dit in 1927 hebben vastgesteld en overeenkomstig artikel 1 van de Wet op de Kerkgenootschappen aan de toenmalige Nederlandse regering hebben bekendgemaakt.
Dit reglement is in 1996 opnieuw vastgesteld. De tekst is op deze Website te vinden onder particulier recht.
REGLEMENT VOOR HET R.K. KERKGENOOTSCHAP IN NEDERLAND
I. INRICHTING VAN HET R.K.KERKGENOOTSCHAP
1. Het R.K. Kerkgenootschap, ook genoemd de R.K. kerkprovincie, omvat alle instellingen, vereenigingen en stichtingen, die, in afhankelijkheid van het wettig Kerkelijk gezag, de uitoefenining van den R.K. godsdienst ten doel hebben, hetzij thans reeds in Nederland zijn gevestigd, of aldaar volgens de kerkelijke reglementen nog wettig gevestigd zullen worden.
Het omvat derhalve zoowel die instellingen, vereenigingen en stichtingen, die de uitoefening van den eeredienst in engeren zin ten doel hebben, als die, welke de door den R.K. godsdienst evenzeer voorgeschreven en eigenaardig tot de taak der Kerk behoorende uitoefening van werken van barmhartigheid en naastenliefde beoogen.
Het R.K. Kerkgenootschap is geregeld volgens de bepalingen van het in 1918 in werking getreden algemeen Wetboek der R.K. Kerk, den Codex Juris Canonici.
II. De R.K. Kerkprovincie wordt verdeeld in op zich zelf staande bisdommen of diocesen, welker aantal en grenzen door het hoogste kerkelijk gezag moeten worden vastgesteld (can. 215 § 1), en van welke er thans vijf in Nederland zijn gevestigd, het aartsbisdom van Utrecht en de bisdommen van Haarlem, “s Hertogenbosch, Breda en Roermond.
III. Ieder bisdom wordt in meerdere territoriaal onderscheiden, op zich zelf staande deelen verdeeld, die parochiėn genoemd worden, en ieder haar eigen kerk, eigen bestuur en eigen tot haar behoorende groep van geloovigen hebben (can. 216 § 1 en 3).
Hetzij naast, hetzij als onderdeel van parochiėn kunnen door het bevoegde gezag zelfstandige bijkerken, rectoraatskerken of kapellen worden ingesteld (zie can. 479 § 1).
IV. Ieder bisdom wordt bovendien verdeeld in op zich zelf staande districten, die uit verschillende parochiėn bestaan, en decanaten genoemd worden (can. 217 § 1).
V. In ieder bisdom zijn een of meer seminariėn ter opleiding van jongelieden tot den geestelijken stand, welke seminariėn als zelfstandige onderdeelen van het R.K. Kerkgenootschap zijn erkend (can. 1354 en 1363).
VI. Naast de inrichting der bisdommen, parochiėn enz. bestaan er door het bevoegde kerkelijk gezag erkende gemeenschappen, waarin de leden overeenkomstig de hun eigen reglementen openbare geloften afleggen en naar de evangelische volmaaktheid streven en welke onderscheiden worden in religieuse orden en congregaties (can. 488, 1e).
Deze religieuse orden en congregaties worden zelfstandige onderdeelen van het R.K. Kerkgenootschap, indien zij door een Bisschop of door den Apostolischen Stoel wettig zijn opgericht of goedgekeurd (can. 492 § 1).
Zij hebben de bevoegdheid volgens de hun eigen aldus goedgekeurde reglementen zelfstandige kloostergemeenten op te richten, doch voor haar wettig bestaan behoeven deze steeds de goedkeuring van den Bisschop van de plaats der vestiging (can. 488 § 1, 497 § 1).
VII. Alle andere instellingen, vereenigingen en stichtingen, die de uitoefening van den R.K. godsdienst ten doel hebben, worden niet als onderdeelen van het R.K. Kerkgenootschap beschouwd, indien zij niet door den Bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als zoodanig wettig zijn erkend (can. 100 § 1).
II. BESTUUR VAN HET R.K. KERKGENOOTSCHAP.
1. Bestuur van het R.K. Kerkgenootschap in het algemeen.
VIII. Alle bestuur in het R.K. Kerkgenootschap geschiedt volgens de bepalingen van het Wetboek van Kerkelijk Recht, aan welks voorschriften allen, die tot het R.K. Kerkgenootschap behooren, gehouden zijn.
IX. Het bestuur en de vertegenwoordiging van het R.K. Kerkgenootschap berust voor zaken, die de Kerkprovincie in haar geheel betreffen, bij de vergadering der bisschoppen, onder voorzitterschap van den metropolitaan-aartsbisschop van Utrecht, of bij dienst ontstentenis van den oudsten bisschop volgens benoeming.
Door de bisschoppen wordt bepaald, hoe dikwijls en wanneer deze vergadering gehouden zal worden (zie. Can. 292).
X. Tenminste eenmaal in de twintig jaar zal door den metropolitaan-aartsbisschop van Utrecht of bij dienst ontstentenis door den oudsten bisschop volgens benoeming een provinciaal concilie worden bijeengeroepen (can. 283, 284) met wetgevende bevoegdheid voor de geheele Kerkprovincie (can. 290, 291).
XI. Aan dit concilie zal worden deelgenomen door alle bisschoppen, Apostolische beheerders van bisdommen, abten en prelaten, die een eigen kerkelijk gebied hebben, Apostolische Vicarissen, die tot de Kerkprovincie behooren; al deze hebben beslissende stem in het concilie.
Met raadgevende stem zal aan het concilie worden deelgenomen door twee afgevaardigden van de verschillende cathedrale kapittels en door de hoogste oversten dier clericale orden en congregaties, die door den Apostolischen Stoel aan het gezag der bisschoppen zijn onttrokken en in de Kerkprovincie gevestigd zijn.
Het staat den bisschoppen vrij, nog andere geestelijken tot deelneming uit te nodigen, doch alleen met raadgevenden stem (can. 282, 286).
XII. De verschillende zelfstandige onderdelen van het R.K. Kerkgenootschap worden elk bestuurd volgens hun eigen door het wettig kerkelijk gezag goedgekeurde reglementen.
2. Bestuur der Bisdommen.
XIII. Het bestuur en de vertegenwoordiging der bisdommen, zoo in als buiten rechten, komt toe aan den bisschop, die, om wettig te zijn, moet staan in gemeenschap met den Apostolischen Stoel (can. 329 § 2).
XIV. De bisschop bezit voor zijn bisdom, zoowel in geestelijke als in tijdelijke kerkelijke zaken, wetgevende, rechterlijke en dwingende macht uit te oefenen volgend de regelen, door het algemeen kerkelijk Recht gesteld (can. 335 § 1).
XV. De bestuursmacht van den bisschop strekt zich uit over alle Roomsch-Katholiek gedoopten, die in zijn bisdom hun woonplaats of althans een daarmee rechtens gelijkgestelde verblijfplaats hebben, tenzij zij door het wettig kerkelijk gezag aan de macht van den bisschop onttrokken zijn.
XVI. Minstens eens in de tien jaar roept de bisschop een diocesane synode bijeen, teneinde over de bijzondere noodwendigheden van geestelijkheid en volk van het diocees te handelen (can. 356 § 1).
Degenen, die door den bisschop volgens het kerkelijk Recht tot bijwonen deze synode worden opgeroepen, hebben allen slechts raadgevende stem; beslissende stem in de synode heeft alleen de bisschop (can. 362).
XVII. Aan den bisschop komt het toe, de pastoors der parochiėn, de rectoren der bijkerken of kapellen, de kapelaans en de bekleeders van andere geestelijke ambten in zijn bisdom te benomen, tenzij zulks aan het hooger kerkelijk gezag voorbehouden (can. 455 § 1, 476, 480),
Hij heeft het recht, de pastoors en andere kerkelijke waardigheidsbekleeders, volgens de regelen door den Codex Juris Canonici gesteld, ook tegen hun wil, van hunne bediening te ontheffen, waardoor deze alle recht op inkomsten der parochie verliezen (can. 454).
XVIII. De bisschop heeft de macht om wettige en canonieke redenen de parochiėn, ook tegen den wil der pastoors en zonder toestemming van het volk, te verdeelen en een nieuwe parochie of bijkerk op te richten; eveneens kan hij parochiėn vereenigen, nieuwe grenzen vaststellen en parochiėn opheffen met inachtneming van de bepalingen van can. 1422.
Aan den bisschop is het, in deze gevallen te bepalen, hoe de kerkelijke goederen en inkomsten onderling zullen worden verdeeld (can. 1500 en 1427).
XIX. Geen afscheiding van parochiėn of gedeelten van parochiėn kan ooit plaats hebben zonder toestemming van den bisschop; en niemand die zich op eigen gezag afscheidt, kan enig recht doen gelden op de goederen der parochie.
XX. De bisschop heeft het beheer van alle goederen aan het bisdom behoorende.
XXI. De bisschop regelt en bewaakt het beheer van alle kerkelijke goederen in zijn bisdom, die niet aan zijn rechtsmacht zijn onttrokken (can. 1519 § 1-2).
Derhalve zal hij voor kerkelijke goederen, die niet reeds een rechtens aangewezen beheerder hebben, beheerders benoemen (can. 1521 § 1).
Alle beheerders van kerkelijke goederen zijn verplicht, jaarlijks aan den bisschop rekening en verantwoording te doen (can. 1525 § 1).
Daden, die de wijze en de grenzen van het gewone beheer te buiten gaan, zijn ongeldig, tenzij de beheerders te voren schriftelijk toestemming van den diocesanen bisschop hebben verkregen. Het R.K. Kerkgenootschap of zijne onderdeelen zijn niet aansprakelijk voor verbintenissen, door de beheerders zonder de vereischte toestemming aangegaan, dan voor zooverre zij door de overeenkomsten zijn gebaat geworden (can. 1527 § 1 en 2).
De beheerders, die op eigen gezag weigeren het eenmaal uitdrukkelijk of stilzwijgend op zich genomen beheer voort te zetten, zijn verplicht de hierdoor ontstane schade te vergoeden, ook hadden zij het beheer geheel uit eigen beweging aangevangen (can. 1528).
XXII. De bisschop heeft het recht van de geloovigen bijdragen te vorderen voor den eeredienst, het behoorlijk onderhoud der geestelijken en voor andere kerkelijke doeleinden (can. 1496).
XXIII. Alle twistgedingen, kerkelijke rechten of goederen betreffende, zullen aan het oordeel van den bisschop onderworpen worden (can. 1572 § 1).
3. Bestuur der parochiėn en rectoraten.
XXIV. De parochiėn en rectoraten worden bestuurd volgens het voor elk bisdom van kracht zijnde Algemeen Reglement voor de Parochiale Kerkbesturen.
Deze reglementen zijn door de Regeering goedgekeurd en wel voor het Aartsbisdom bij Koninklijk besluit dd. 31 Mei 1854, No. 64;
Bisdom Haarlem bij K.B. dd. 30 juli 1854, No. 58;
Bisdom “s Hertogenbosch bij K.B. dd. 31 Mei 1854, No. 64;
Bisdom Breda bij K.B. dd. 31 December 1854, No. 83, gewijzigd 1 januari 1905 missive van den Minister van Justitie 27 Januari 1905, Afd. S.S., No. 308;
Bisdom Roermond gewijzigd reglement dd. 10 October 1899, bij missive van den minister van Justitie dd. 6 Februari 1901, I. Afd. C. No. 214 erkend.
4. Bestuur der Seminariėn.
XXV. Het bestuur van het Seminarie dat uit twee afdeelingen bestaat, berust bij den eigen bisschop (can. 1354, 1357).
XXVI. De bisschop wordt in het bestuur van het Seminarie bijgestaan door een dubbelen raad van afgevaardigden, een voor geestelijke aangelegenheden, de andere voor het beheer der tijdelijke zaken.
Elke raad bestaat uit twee priesters, door den bisschop na overleg met het cathedrale kapittel gekozen voor den tijd van zes jaar.
In zake van groot aanbelang moet de bisschop den raad inwinnen van de afgevaardigden (can. 1359).
XXVII. Aan den bisschop komt het toe, den rector, de docenten en anderen, die met de onmiddellijke leiding en het beheer van het Seminarie zijn belast, aan te stellen. Deze allen moeten zijn priesters, die zich niet alleen door wetenschap, maar ook door deugd en voorzichtigheid onderscheiden, opdat zij de seminaristen door woord en voorbeeld kunnen stichten (can. 1360).
5. Bestuur der R.K. Instellingen van liefdadigheid.
De R.K. Instellingen van Liefdadigheid worden bestuurd volgens het voor elk bisdom van kracht zijnde Algemeene reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid.
III. VAN V ERANDERINGEN IN DIT REGLEMENT AAN TE BRENGEN.
XXVIII. Veranderingen in dit Reglement zullen niet kunnen worden aangebracht dan door de vergadering van Bisschoppen of door een Provinciaal Concilie.
Aldus vastgesteld en goedgekeurd in de Vergadering der Bisschoppen, gehouden te Haarlem 7 Juni 1923.
(w.g.) H. van de Wetering, Aartsbisschop van Utrecht.
A.J. Callier, Bisschop van Haarlem.
L.J.A.H. Schrijnen, Bisdom van Roermond.
P. Hopmans, Bisschop van Breda.
A.F. Diepen, Bisschop van “s Hertogenbosch.
Bovenstaand Reglement is de 7den December 1925 ter kennis gebracht van de Regeering.