Anna tot Jozef
Het eten was al opgedaan.
Ik had haar driemaal moeten roepen, had driemaal
de lepel in mijn hand gewogen.
Toen zag ik haar op de drempel staan
met nieuwe ogen,
grote, nee, kleiner, ik weet niet, ze gaven zich uit
voor duiven, o ja, ik zag duiven achter haar sluier.
De ogen van een bruid.
Zij dorst ze haast niet op te slaan.
Ze zei alleen: Een bries...
er is een bries door mijn kamer heen gegaan.
Ik weet niet waarom, maar ik geloof dat ik ben gaan staan.
Ik dacht opeens dingen uit boeken, ik weet niet, ik dacht
aan een roos na zachte regen.
Ik stond met die lepel in mijn hand, van de wijs verlegen:
dat kwam door het licht dat zij in de kamer bracht,
dat kwam door de witte holten boven haar blos,
daar wilden de duiven uit los.
En het was
of achter haar huid een vuur te trillen stond,
zoals dat bos, waarvan ik dikwijls las,
dat brandde zonder te verteren,
in heilige grond.
Wij aten zwijgend, zij en ik,
als luisterend naar een ver zwaar onweer.
Pas na het danken, zwijgend opgestaan,
een ver zwaar, een oneindig ogenblik,
keek zij mij aan.
O moeder zei ze,
Een wingerd aan de deurpost, zachtjes bevend;
breekbaar; een kaars van wil je 't mij vergeven.
O moeder, zei ze
en schreide, maar ik zag geen traan.
En nog eens: moeder, of zij 't woord kon strelen.
En langzaam, fluisterend
Gegroet door een schaduw
nee,
Overschaduwd door een groet
(ik weet niet of ik het heb verstaan)
en zuchtend dansend,
onder geluk gebogen,
(ik weet niet hoe ik het zeggen moet)
is zij de schemer het weiland ingegaan.
Er zijn dingen die ons te boven gaan.
Had ik maar tranen gezien, haar stem maar horen breken,
ik had haar naam geroepen, over haar haar gestreken,
maar zij was haar naam niet, ik heb niets gedaan.
Er zijn grote dingen aan haar gedaan
en wij zijn niet gewaarschuwd, wij hebben de duiven
niet achter haar sluier neer zien strijken.
Wij zijn bedrogen:
zij is al hemelend; goud, en al gewogen;
zestien en zonder gisteren;
zestien en met verzadigde ogen.
God is met ons bezig, God is met ons bezig
en het is verschrikkelijk.
Wij zijn niet gewaarschuwd, wij zien ook geen schaduw, wij gaan
dingen uit boeken denken,
wartaal uitslaan.
Wij zullen zwijgen, jij en ik.
Wij zullen dikwijls eenzaam zijn voortaan,
en stomgeslagen, en met lege handen,
vervreemdend van de
schouders en wangen waar zij nu naar staan.
Zij zal veel dingen zeggen die wij niet verstaan.
Zij zal van vuur zijn en maar niet opbranden.
Want als de bries haar dit heeft aangedaan,
wat als de storm opstaat?
En als de schaduw haar al doet verdwijnen,
wat dan wanneer het licht eens in zal slaan?
Jongen, probeer haar tegemoet te gaan.
Michel van der Plas