Gebed
Te slapen stond het paard. Het was bladstil
geworden en de zomerzon zonk onder
achter de bomen: er was geen verschil
met lange jaren her: een doodstil wonder
was het leven geworden.
Ademloos
beleefden zij dat uur, zij die elkander
eens kwelden en vernielden in een roes
van drank en ontucht.
Nu vonden hun handen
elkander en zij wisten zich gered.
Te slapen stond het paard, terzijde stonden
zij daar te waken in een laat gebed.
Het was bladstil, de zon zonk langzaam onder.
A. Roland Holst 1888-1976