Lied op kerstmorgen
De maan verbleekt in het grijze licht,
de nacht wijkt voor de dag,
en God roept ons op; zijn stem beduidt
dat niemand meer slapen mag.
Staat op, wordt wakker, overal!
Hoort allen zijn woorden aan!
God stierf aan het kruis,- wie doet voor Hem,
wat Hij voor ons heeft gedaan?
O blinkende stad Jeruzalem,
wanneer bereik ik uw poort?
Wanneer wordt mijn lijden uitgewist
in het lied, dat mijn hart al hoort?
Groen zijn de velden, zo groen, zo groen,
en zoet als het hemelrijk.
God wandelt over de wegen en drenkt
met zijn dauw ons allen gelijk.
Ons leven is niet dan een handbreed lang,
in de zomer wordt het gemaaid.
Nu zijn wij hier en morgen daar,
waar de wind van de dood ons waait.
Gij rijken viert feest, want gij hebt geen zorg,
gij hebt uw geld, uw goed,
maar morgen, als gij gestorven zijt,
blijft niets van uw overvloed.
Wat mager gras aan uw hoofdeneind
en om uw lijf wat hout
Dan staat gij boven, naakt als een kind,
met zonden duizendvoud.
Mijn lied is uit, ik ga naar huis,
maak al Gods woorden waar!
Zijn zegen voor u, voor arm en rijk,
zijn licht in het nieuwe jaar!
Anoniem, 18e eeuw