Marialied
Wie, Moeder, eens u heeft aanschouwd,
wordt nimmer door verderf benauwd.
Scheiding van u verscheurt zijn zinnen,
eeuwig zal hij u vurig minnen.
Uw heerlijkheid, hem eens ontbloeid,
blijft de verrukking die zijn geest doorgloeit.
Mijn hart is warm u toegewijd,
gij zijt al wat ik mis of lijd.
Wil, zoete moeder, tot mij spreken,
geef mij nog eens een zalig teken.
Gij zijt mij rust in alle pijn,
laat mij en ogenblik uw woning zijn.
Vaak, als ik droomde, heeft uw beeld
mijn hart met innig schoon gestreeld.
Het kleine Godskind op uw armen
toonde mijn, speelgenoot, erbarmen;
gij echter wendde hoog uw blik
en trok u terug in wolken koninklijk.
Wat heb ik, arme, u misdaan?
Mijn liefde blijft om u begaan.
Tot de kapellen, die u eren,
blijven toch steeds mijn gangen keren.
Vorstin, gebenedijde, kom,
mijn hart en leven zijn uw eigendom.
Ach, Koningin, gij weet het nu,
al wat ik heb, het is van u.
Mocht ik al niet sinds lange jaren
in stilte uw geluk ervaren?
Ja, voor ik zien of denken kon,
was mij uw borst een zalige levensbron.
Gij waart zo dikwijls mij nabij,
mijn kinderblik aanschouwde u vrij.
Uw Kindje strekte blij zijn handen,
dat ik weer veilig zou belanden.
Uw glimlach was vol tederheid,
uw kus vol liefde, hemelzoete tijd!
Voorbij is nu dit zalig uur,
lang zijn mijn wegen kil en guur,
droefenis leidt mij alle dagen.
Heb ik mij dan zo zwaar misdragen?
Zacht als een kind raak ik uw zoom,
wek mij uit deze radeloze droom.
Als slechts een kind een beeld aanschouwt
en op uw bijstand vrij vertrouwt,
verlos mij dan van leeftijds boeien,
laat als een kind mij voor u bloeien.
Want kindertrouw en kindermin
bewonen sinds die gouden tijd mijn zin.
Novalis 1772-180