Passielied
't Wordt zomer nu, de winter is voorbij,
de dagen worden lang;
van alle vogels blij
klinkt weer gezang,
maar bang
is mijn hart en blind
voor alle vreugd, die ik vind
op het land:
'k lijd om een Kind
hoezeer bemint
ons zijn hand.
Dit Kind, zo goed, van rijke stam
en kostelijke geest,
dat lang mij zoeken kwam
in wild foreest,-
't heeft mij gevonden,
aan een tak gebonden,
een appel rood:
Het maakt mij
uit mijn boeien vrij
door zijn dood.
Dit Kind, zo hoog en licht,
om mijnentwil zijn rijkdom liet;
Het werd voor mij ten val gericht.
Zijn beulen kenden 't niet
en zeiden: 't Laat ons koud,
spijker Hem aan het hout
buiten de stad;
maar eerst werpen wij
om zijn kleren vrij
het lot.
Jezus heet dit wondere Kind,
Koning van alle landen,
om Hem speelden zij verblind,
sloegen Hem met hun handen;
weerloos aan het hout,
wondden zijn Hem menigvoud;
toen de pijn
zijn gezicht vertrok,
gaven zij Hem een slok
bittere azijn.
Had Hij niet aan dit droeven hout
ons aller leven gered,
er zou ons geen enkel behoud
gebleven zijn; geen wet
sprak ons nog vrij,
ter helle voeren wij
in duister wreed
en eeuwig leed;
ons hielp geen legermacht,
geen fort, geen vestinggracht,
geen oorlogskreet.
Maagd en Moeder,- zo stond
Maria, vol genaden erbij;
haar tranen weekten de harde grond,
tranen van bloed weende zij.
Zijn bloed droop langs het hout,
zijn vlees werd koud
en zonder kracht.
Hij werd geslagen
als een dier na dagen
van felle jacht.
Zo hing zijn dierbaar lichaam dood
aan de hoge stam,
omdat Hij al onze zonden groot
op Zich nam.
Hij daalde fier ter helle af
en brak de ketens zwaar;
Hij droeg ons aller straf,
bezweerde het gevaar
met zijn koningsstaf
en zij ogen klaar.
Ten derden dage rees Hij weer
en besteeg zijn troon;
de oordeelsdag ziet zijn wederkeer,
dan geeft Hij ieder zijn loon.
Wie ooit zonder Hem sterven zou
draagt leed en rouw,
het is gewis.
Wil, Jezus, ons leven
de glorie geven
van uw verrijzenis!
Anoniem, 13e eeuw