Theotokie Koptische kerk
Welke tong kan u, o Maagd,
heilige Moeder Gods, bezingen?
Gij zijt de Vorstentroon, gij schraagt
Die zelf het koor der cherubijnen draagt
in gulden kringen!
Hoe kunnen wij u zalig prijzen,
op welke wijze?
Verheven zijt gij, in glans en duur,
boven alle natuur.
O schone duif en Moeder des Heren,
uw naam zingt tot in eeuwigheid
ieder geslacht ter ere.
Verheugt u, Moeder en reine Maagd;
de engelen prijzen Hem groot
Die woonde in uw zoete schoot.
De cherubijnen aanbidden
Hem als hun stralende midden;
de serafijnen, onvermoeid,
wuiven hun snelle vleugels al zingend
voor Die in hun midden bloeit:
'Hij is de koning der heerlijkheid
en naar zijn grote ontferming
is Hij der wereld bescherming;
alle zonden schenkt Hij ons kwijt.'
En daarom, o Moeder, smeken
wij dat gij ons voor wilt spreken:
al is zijn barmhartigheid onverdiend,
spreek ons tot heil en zegen
bij de Mensenvriend.
Koptische liturgie, 4e-6e eeuw na Chr.