Uit de stilte
Wanneer ik in een stillen nacht den berg beklim
alleen, zelfs zonder schaduw en blijft staan
dat 'k ook den echo van mijn stem verlies en ik een ding
word tussen aarde en hemel zonder naam.
Niets dan een bleke vlek in dezen nacht
waarop het licht van duizend sterren valt,
niets dan een mens die nog begeert en wacht
wien ondanks alles nog de aard' bevalt.
Spreek dan tot mij vanuit Uw hemels rijk,
Laat er een kruis zijn dat mijn oog verblindt,
geef mij een enkel teken maar, een blijk
dat Gij mij duldt, en, als het kan, bemint.
Zo roep ik U, terwijl de stilte rond
mij op de loer ligt en mijn woorden hoort,
geen antwoord dan in 't diepe dal een hond
door de eeuwge onrust in mijn slaap gestoord.
Gij zendt tot dezen mens geen teken meer,
want onze tijden zijn U vreemd en ver;
hier in den nacht voel ik opnieuw hoezeer
de aard' verdwaalde van haar tweelingster.
Louis de Bourbon