Visitatie II
De avondval geeft zijn stil, hoog voorteken:
de hemel wordt een koeler dieper blauw.
Zij komt van het laatste bergpad naar beneden.
Als zij het zwijgend dorp gaat binnentreden
komt flonkrend met haar mee een eerste ster.
Heel deze dag, dat zij, de kleine vrouw,
de smalle, hoge paden over de bergen ging,
zijn haar de Vader, de Zoon en de Geest
onzegbaar verheven gezellen geweest,
of zij een tocht door 't eeuwig licht beging:
haar aangezicht is helder als een ster.
O, ochtendster en avondster!
Zij gaat, gelukkig, door de smalle straten,
de huizen schijnen scheemrende gelaten
die, in een beschroomd stilzwijgen gekeerd,
eerbiedig naar haar schreden neigen.
Gerard Wijdeveld