Opbouw van de Tridentijnse H. Mis
De Tridentijnse H. Mis, ookwel 'Latijnse Mis', is de viering van het Heilig Misoffer volgens de rituelen en voorschriften die zijn gecanoniseerd door de heilige paus Pius V. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie wordt een nieuwe liturgie aangehouden.
De oude riten zijn echter nooit verboden en mogen worden gevierd na toestemming van de lokale bisschop. De Nederlandse bisschoppen benadrukken dat de riten worden toegelaten op voorwaarde dat men zich niet isoleert van de wereldkerk. Dat laatste werd belangrijk nadat de Sint Pius X-beweging in opspraak kwam. Onder leiding van mgr. Marcel Lefebvre werden zonder toestemming van Rome in 1988 vier bisschoppen gewijd en de uitkomsten van het Concilie verworpen. Rome laat sindsdien de Latijnse misriten als 'indultmis' toe.
Op de Nederlandse website Ecclesia Dei zijn actuele tijden en locaties te vinden waar de Latijnse mis in Nederland wordt gevierd, alsook achtergronden, bijvoorbeeld over paus Benedictus XVI en de liturgie.
Opbouw van de Tridentijnse H. Mis
GEBEDEN VOOR DE MIS
DE ZEGENING MET WIJWATER
op Zondag voor de Hoogmis
Voor het altaar heft de priester, gekleed in koorkap, de volgende antifoon aan. Terwijl koor en volk de
antifoon voortzetten, schrijdt de priester door de kerk en besprenkelt de gelovigen met het gewijde
water, dat ons herinnert aan het heilige water dat bij het doopsel over ons werd uitgestort.
Ondertussen bidt de priester in stilte de psalm: Miserere mei, Deus.
Antifoon (Ps. 50, 9)
|
Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor: lavabis me, et super nivem dealbabor. Ps. Misere mei, Deus, secundum magnam misericordiam tuam. |
Besproei mij, Heer, met hysop, en zuiver zal ik zijn: was mij, en witter dan sneeuw zal ik worden. Ps. 50, 3 Ontferm U mijner, God, naar uw grote barmhartigheid. |
|
V. Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto. |
V. Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige geest. |
|
R. Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in saecula saeculorum. Amen. |
R. Zoals het was in het begin, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen. |
|
V. Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor: lavabis me, et super nivem dealbabor. |
V. Besproei mij, Heer, met hysop, en zuiver zal ik zijn: was mij, en witter dan sneeuw zal ik worden. |
Weer voor het altaar gekomen, zingt de priester:
|
V. Ostende nobis, Domine, misericordiam tuam. |
V. Toon ons, Heer, uw barmhartigheid. |
|
R. Et salutare tuum da nobis. |
R. En schenk ons uw heil. |
|
V. Domine, exaudi orationem meam. |
V. Heer, verhoor mijn gebed. |
|
R. Et clamor meus ad te veniat. |
R. En mijn geroep kome tot U. |
|
V. Dominus vobiscum. |
V. De Heer zij met u. |
|
R. Et cum spiritu tuo. |
R. En met uw geest. |
|
Oremus. Exaudi nos, Domine, sanctae Pater, omnipotens aeterne Deus et mittere digneris sanctum Angelum tuum de cælis, qui custodiat, foveat, protegat, visitet, atque defendat omnes habitantes in hoc habitaculo. Per Christum Dominum nostrum. |
Laten wij bidden. Verhoor ons, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, en gelief uw heilige Engel uit de hemel te zenden, opdat hij al de bewoners van deze plaats beware, verzorge, bescherme, bezoeke en verdedige. Door Christus, onze Heer. |
|
R. Amen. |
R. Amen. |
Antifoon gedurende de Paastijd
|
Vidi aquam egredientem de templo, a latere dextro, alleluia: et omnes ad quos pervenit aqua ista salvi facti sunt, et dicent: Alleluia, alleluia. Ps. Confitemini Domino, quoniam bonus: quoniam in seculum misericordia ejus. |
Ik heb water zien vloeien, ter rechterzijde de tempel uit, alleluja; en allen tot wie dit water gekomen is, zijn behouden en zullen zeggen, alleluja, alleluja. Ps. 117,1 Looft de Heer, want Hij is goed, want in eeuwigheid duurt zijn barmhartigheid. |
|
V. Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto. |
V. Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. |
|
R. Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in sæcula sæculorum. Amen. |
R. Zoals het was in het begin en nu, en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen. |
|
V. Vidi aquam egredientem de templo, a latere dextro, alleluia: et omnes ad quos pervenit aqua ista salvi facti sunt, et dicent: Alleluia, alleluia. |
V. Ik heb water zien vloeien, ter rechterzijde de tempel uit, alleluja; en allen tot wie dit water gekomen is, zijn behouden en zullen zeggen, alleluja, alleluja. |
|
V. Ostende nobis, Domine, misericordiam tuam, alleluja. |
V. Toon ons, Heer, uw barmhartigheid, alleluja. |
|
R. Et salutare tuum da nobis., alleluja. |
R. En schenk ons uw heil, alleluja. |
Het gebed als hierboven aangegeven.
VASTE GEBEDEN VAN DE MIS
GEBEDEN VAN VOORBEREIDING AAN DE VOET VAN HET ALTAAR.
Terwijl de priester met zijn dienaren naar het altaar schrijdt heffen de voorzangers de zang der intrede
(Introitus) aan, die door het koor wordt voortgezet. Hierna zingen koor en volk het Kyrie Eleison.
Ondertussen bidden priester en dienaren aan de voet van het altaar afwisselend.
|
V. In † nomine Patris,et Filii, et Spiritus Sancti. Amen. |
V. In † de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen. |
|
Antiphona. Introibo ad altare Dei. |
Antifoon. Ik zal ingaan tot het altaar Gods. |
|
R. Ad Deum qui laetificat juventutem meam. |
R. Tot God die mijn jeugd verblijdt. |
De volgende psalm blijft achterwege in de missen voor overledenen en gedurende de Passietijd.
In deze missen gaat de priester onmiddelijk voort met de woorden Adjutorium nostrum, enz.
Psalm 42, 1-5
|
V. Judica me, Deus, et discerne causam meam de gente non sancta: ab homine iniquo et doloso erue me. |
V. God, schaf mij recht, kom tegen een goddeloos volk voor mij op, verlos mij van de boze en bedrieglijke mens. |
|
R. Quia tu es, Deus, fortitudo mea: quare me repulisti, et quare tristis incedo, dum affligit me inimicus? |
R. Want Gij, o God, zijt mijn sterkte; waarom hebt Gij mij verstoten, en waarom wandel ik in droefheid, terwijl de vijand mij verdrukt? |
|
V. Emitte lucem tuam et veritatem tuam: ipsa me deduxerunt et adduxerunt in montem sanctum tuum, et in tabernacula tua. |
V. Zend uw licht uit en uw waarheid; zij zullen mij geleiden en voeren op uw heilige berg en in uw tenten. |
|
R. Et introibo ad altare Dei: ad Deum qui laetificat juventutem meam. |
R. En ik zal ingaan tot het altaar Gods; tot God die mijn jeugd verblijdt. |
|
V. Confitebor tibi in cithara, Deus, Deus meus: quare tristis es anima mea, et quare conturbas me? |
V. Ik zal U loven op de citer, God, mijn God; waarom zijt gij bedroefd, mijn ziel, en waarom ontstelt gij mij? |
R. Spera in Deo, quoniam adhuc confitebor illi: salutare vultus mei, et Deus meus. |
R. Vertrouw toch op God: dan zal ik Hem eens mogen danken als mijn Helper en God! |
|
V. Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto. |
V. Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. |
|
R. Sicut erat in principo, et nunc, et semper: et in saecula saeculorum. Amen. |
R. Zoals het was in het begin en nu, en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen. |
En men herhaalt de antifoon:
|
V. Introibo ad altare Dei. |
V. Ik zal ingaan tot het altaar Gods. |
|
R. Ad Deum qui laetificat juventutem meam. |
R. Tot God die mijn jeugd verblijdt. |
|
V. Adjutorium nostrum † in nomine Domini. |
V. Onze hulp † is in de naam van de Heer. |
|
R. Qui fecit coelum et terram. |
R. Die hemel en aarde gemaakt heeft. |
Diepgebogen belijdt de priester zijn schuld:
|
V. Confiteor Deo omnipotenti, beatae Mariae semper Virgini, beato Michaeli Archangelo, beato Joanni Baptistae, sanctis Apostolis Petro et Paulo, omnibus Sanctis, et vobis fratres, quia peccavinimis cogitatione verbo, et opere: mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa. Ideo precor beatam Mariam semper Virginem, beatum Michaelem Archangelum, beatum Joannem Baptistam, sanctos Apostolos Petrum et Paulum, omnes Sanctos, et vos fratres, orare pro me ad Dominum Deum nostrum. |
V. Ik belijd voor de almachtige God, voor de H. Maria altijd Maagd, de H. Aartsengel Michaël, de H. Joannes de Doper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle heiligen en u, broeders, dat ik zeer gezondigd heb door gedachten, woorden en werken: (klopt drie keer op zijn borst) door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld. Daarom bid ik de H. Maria, altijd Maagd, de H. Aartsengel Michaël, de H. Joannes de Doper, de Heilige Apos-telen Petrus en Paulus, alle heiligen en u, broeders, voor mij te bidden tot de Heer, onze God. |
De misdienaars antwoorden:
|
R. Misereatur tui omnipotens Deus, et dimissis peccatis tuis, perducat te ad vitam aeternam. |
R. De almachtige God ontferme Zich over u, vergeve uw zonden, en geleide u ten eeuwigen leven. |
|
V. Amen. |
V. Amen |
Ook de misdienaars belijden hun schuld:
|
R. Confiteor Deo omnipotenti, beatae Mariae semper Virgini, beato Michaeli Archangelo, beato Joanni Baptistae, sanctis Apostolis Petro et Paulo, omnibus Sanctis, et tibi pater, quia peccavinimis cogitatione verbo, et opere: mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa. Ideo precor beatam Mariam semper Virginem, beatum Michaelem Archangelum, beatum Joannem Baptistam, sanctos Apostolos Petrum et Paulum, omnes Sanctos, et te pater, orare pro me ad Dominum Deum nostrum. |
R. Ik belijd voor de almachtige God, voor de H. Maria altijd Maagd, de H. Aartsengel Michaël, de H. Joannes de Doper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle heiligen en u, vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachten, woorden en werken: (hier klopt men driemaal op de borst) door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld. Daarom bid ik de H. Maria, altijd Maagd, de H. Aartsengel Michaël, de H. Joannes de Doper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle heiligen en u, vader, voor mij te bidden tot de Heer, onze God. |
|
V. Misereatur tui omnipotens Deus, et dimissis peccatis tuis, perducat te ad vitam aeternam. |
V. De almachtige God ontferme Zich over u, vergeve uw zonden en geleide u ten eeuwigen leven. |
|
R. Amen. |
R. Amen |
|
V. Indulgentiam † absolutionem, et remissionem peccatorum nostrorum, tribuat nobis omnipotens et misericors Dominus. |
V. † Kwijtschelding, vrijspraak en vergiffenis van onze zonden verlene ons de almachtige en barmhartige Heer. |
|
R. Amen. |
R. Amen. |
|
V. Deus, tu conversus vivificabis nos. |
V. Keer U tot ons, Heer, en Gij zult ons doen leven. |
|
R. Et plebs tua laetabitur in te. |
R. Opdat uw volk zich in U kan verheugen. |
|
V. Ostende nobis Domine, misericordiam tuam. |
V. Toon ons uw goedheid, o Heer. |
|
R. Et salutare tuum da nobis. |
R. En schenk ons uw heil. |
|
V. Domine, exaudi orationem meam. |
V. Heer verhoor mijn gebed. |
|
R. Et clamor meus ad te veniat. |
R. En mijn geroep kome tot U. |
|
V. Dominus vobiscum. |
V. De Heer zij met u. |
|
R. Et cum spiritu tuo. |
R. En met uw geest |
De priester bestijgt het altaar, terwijl hij in stilte bidt:
|
Oremus. Aufer a nobis, quaesumus Domine, iniquitates nostras: ut ad Sancta Sanctorum puris mereamur mentibus introire. Per Christum Dominum nostrum. Amen. |
Laat ons bidden. Neem smeken wij, o Heer onze ongerechtigheden van ons weg, opdat wij tot het Heilige der Heiligen met een rein gemoed mogen ingaan. Door Christus, onze Heer. Amen. |
De priester groet het altaar met een kus en vereert de relieken van de heiligen,
die in het altaar zijn besloten:
|
Oramus te Domine, per merita Sanctorum tuorum, quorum reliquiae hic sunt et omnium Sanctorum: ut indulgere digneris omnia peccata mea. Amen. |
Wij bidden U, o Heer, door de verdiensten van uw heiligen, wier relieken hier rusten, en van alle heiligen, dat Gij U gewaardigt al mijn zonden te vergeven. Amen. |
In de missen met assistentie van diaken en subdiaken (behalve in de missen voor
overledenen) wordt nu het altaar bewierookt. Eerst zegent de priester de wierook, zeggend:
|
Ab illo benedicaris, in cujus honore cremaberis. Amen. |
Moogt ge gezegend worden door Hem, tot wiens eer ge zult branden. Amen. |
Dezelfde zegening spreekt de priester als hij de wierook zegent voor de bewieroking
van het evangelieboek voor het Evangelie.
DE VOORMIS OF MIS VAN DE GELOOFSLEERLINGEN
INTROITUS OF ZANG DER INTREDE
De priester leest de Introitus aan de epistelzijde van het altaar. Bij het begin maakt hij
het kruisteken; in de missen voor de overledenen echter maakt hij het kruisteken
over het boek, een herinnering aan de zegening van het stoffelijk overschot, dat vroeger
tijdens de begrafenismissen terzijde van het altaar werd geplaatst.
KYRIE ELEISON
Terwijl koor en volk de aanroepingen van het Kyrie zingen, bidt de priester afwisselend
met zijn dienaren:
|
V. Kyrie eleison. |
V. Heer, ontferm U over ons. |
|
R. Kyrie eleison. |
R. Heer, ontferm U over ons. |
|
V. Kyrie eleison. |
V. Heer, ontferm U over ons. |
|
R. Christe eleison. |
R. Christus, ontferm U over ons. |
|
V. Christe eleison. |
V. Christus, ontferm U over ons. |
|
R. Christe eleison. |
R. Christus, ontferm U over ons. |
|
V. Kyrie eleison. |
V. Heer, ontferm U over ons. |
|
R. Kyrie eleison. |
R. Heer, ontferm U over ons. |
|
V. Kyrie eleison. |
V. Heer, ontferm U over ons. |
DE LOFZANG “GLORIA IN EXCELSIS DEO”
De priester heft de volgende lofzang aan, welke hij in stilte verder bidt, terwijl koor en
volk de zang vervolgen.
|
Gloria in excelsis Deo, et in terra pax hominibus bonae voluntatis. Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te. Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam. Domine Deus Rex coelestis, Deus Pater omnipotens. Domine Fili unigenite, Jesu Christe. Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris, Qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Qui tollis peccata mundi, suscipe deprecationem nostram. Qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis. Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus, tu solus altissimus, Jesu Christe, cum Sancto Spiritu, in gloria Dei Patris. Amen. |
Eer aan God in de hoge en op aarde vrede aan de mensen van goede wil. Wij loven U. Wij prijzen U. Wij aanbidden U. Wij verheerlijken U. Wij danken U om uw grote heerlijkheid. Heer God, Koning des hemels. God almachtige Vader. Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus. Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader. Die de zonden van de wereld wegneemt, ontferm U over ons. Die de zonden van de wereld wegneemt, aanvaard onze smeekbede. Die zetelt aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons. Want Gij alleen zijt heilig. Gij alleen zijt Heer, Gij alleen de Allerhoogste, Jezus Christus, met de Heilige Geest, in de heerlijkheid van God de Vader. Amen |
GEBED
De priester wendt zich tot het volk met de zegengroet:
|
V. Dominus vobiscum. |
V. De Heer zij met u. |
|
R. Et cum spiritu tuo. |
R. En met uw geest. |
Aan de epistelzijde van het altaar zingt de priester het Gebed, beginend met de uitroep:
|
V. Oremus. |
R. Laat ons bidden. |
Volgens de rubrieken kan het eerste Gebed door een of meer Gebeden worden gevolgd.
Indien dit het geval is, worden ook aan het Offergebed en het slotgebed een of meer
gebeden toegevoegd. Het eerste en het laatste Gebed, Offergebed en Slotgebed
besluit de priester met een lofprijzing van de heilige Drievuldigheid.
Na het Gebed (na het eerste en het laatste, indien meer dan één Gebed wordt gezegd)
antwoordt het volk:
EPISTEL
De priester zingt of leest met luide stem het Epistel. In de missen met assistentie van
diaken en subdiaken wordt het door de subdiaken gezongen.
Na het einde van de lezing antwoordt een van de misdienaren:
|
R. Deo gratias. |
R. Gode zij dank. |
GRADUALE EN ALLELUJA OF TRACTUS
Na de eerste lezing zingt het koor de tussenzang: de beurtzang Graduale, en het Alleluja
met volgend psalmvers of de Tractus. Gedurende de Paastijd vervalt het Graduale en
wordt het vervangen door een eerste Alleluja met psalmvers. Op enkele feesten wordt
voor de herhaling van het Alleluja aan het einde (of na de Tractus) een Sequentia ingevoerd.
De teksten van de tussenzang leest de priester in stilte aan de epistelzijde van het altaar.
Tegen het einde van deze zang heeft de voorbereiding voor het Evangelie plaats.
EVANGELIE
Diep gebogen voor het midden van het altaar bidt de priester ter voorbereiding op de
lezing van het Evangelie:
|
Munda cor meum ac labia mea, omnipotens Deus, qui labia Isaiae Prophetae calculo mundasti ignito: ita me tua grata miseratione dignare mundare, ut sanctum Evangelium tuum digne valeam nuntiare. Per Christum Dominum nostrum. Amen |
Reinig mijn hart en mijn lippen, almachtige God, Gij, die de lippen van de profeet Isaias gereinigd hebt met een gloeiende kool; en gewaardig U in uw liefdevolle barmhartigheid mij zo te reinigen, dat ik in staat ben uw Evangelie waardig te verkondigen. Door Christus, onze Heer. Amen. |
|
Jube, Domine benedicere |
Heer, wil mij zegenen. |
|
Dominus sit in corde meo et in labiis meis: ut digne et competenter annuntiem Evangelium suum. Amen. |
De Heer zij in mijn hart en op mijn lippen: opdat ik waardig en betamelijk zijn Evangelie verkondige. Amen. |
In de missen met assistentie van diaken en subdiaken zegent de priester de wierrook
zoals bij de intrede. Knielend voor het altaar bidt de diaken het gebed Munda cor en
vraagt vervolgens aan de priester:
|
Jube, domne, benedicere. |
Geef mij, heer uw zegen. |
En de priester zegent hem met de volgende woorden:
|
Dominus sit in corde tuo et in labiis tuis: ut digne et competenter annunties Evangelium suum: In nomine Patris, et Filii, † et Spiritus Sancti. Amen. |
De Heer zij in uw hart en op uw lippen, opdat gij op waardige en passende wijze zijn Evangelie moogt verkondigen. In de Naam van de Vader, en van de Zoon, † en van de Heilige Geest. Amen. |
De priester zingt of leest met luide stem het Evangelie aan de linkerzijde van het
altaar. - In de missen met assistentie van diaken en subdiaken wordt het door de diaken
gezongen. Voorafgegaan door de wierookdrager en twee misdienaren met brandende
kaarsen en begeleid door de subdiaken, draagt hij het evangelieboek naar het leesverhoog
of naar de daartoe aan de linkerzijde van het koor bestemde plaats, waar hij het neerlegt
op de lezenaar ofwel overreikt aan de subdiaken die het hem tijdens de lezing geopend
voorhoudt. Alvorens met de eigenlijke lezing te beginnen bewierookt de diaken het
evangelieboek. - Allen gaan staan uit eerbied voor het woord des Heeren. Bij de
aankondiging van de lezing maken allen met de duim een kruisteken op het
voorhoofd, mond en borst, om daardoor uit te drukken, dat zij het Evangelie van Christus
met het verstand aanvaarden, met de mond willen belijden en met het hart liefhebben.