De Toren van Babel (Genesis 11,1-9)
[1] Alle mensen op aarde spraken één taal en gebruikten dezelfde woorden. [2] Nadat ze uit het oosten weggetrokken waren, vonden ze een vlakte in Sinear* en vestigden zich daar. [3] Zij zeiden tegen elkaar: ‘Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur.’ De tegels gebruikten zij als bouwstenen, met asfalt als specie.
[4] Nu zeiden ze: ‘Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan* krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.’ [5] Toen* de heer neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden, te zien, [6] zei Hij: ‘Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel plan van hen meer te stuiten zijn. [7] Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.’
[8] En de heer dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over, en er kwam een einde aan de bouw van de stad. [9] Daarom noemt men die stad Babel*, want de heer heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen, en hen vandaar over de hele aardbodem verspreid.
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Willibrordvertaling,
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.