Het Laatste Avondmaal (Mt 26,20-30)
Toen de avond gevallen was, was Hij met de twaalf aan tafel.
[21] Tijdens de maaltijd zei Hij: ‘Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij overleveren.’ [22] Buitengewoon bedroefd als ze waren, begonnen ze Hem één voor één te vragen: ‘Ik ben het toch niet, Heer?’ [23] Hij gaf hun ten antwoord: ‘Wie met Mij zijn hand in de schaal doopt, die zal Mij overleveren. [24] De Mensenzoon gaat wel heen zoals over Hem geschreven staat, maar wee die mens door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt. Het zou beter zijn voor die mens, als hij niet geboren was.’
[25] Judas, die Hem wilde overleveren, reageerde: ‘Ik ben het toch niet, rabbi*?’ Hij zei tegen hem: ‘Jij hebt het gezegd.’
[26] Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood*, sprak de zegenbede uit, brak het, gaf het aan zijn leerlingen en zei: ‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’ [27] Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die met de woorden: ‘Drink er allen uit, [28] want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.
[29] Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot de dag waarop Ik met jullie de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’ [30] Na het zingen van de psalmen* gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg.
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Willibrordvertaling,
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.