De bruiloft te Kana (Joh 2, 1-11)
[1] Op de derde* dag werd er een bruiloft gevierd te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was. [2] Ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. [3] Toen de wijn opraakte, wendde de moeder van Jezus zich tot Hem en zei: ‘Ze* zitten zonder wijn.’
[4] Jezus antwoordde: ‘Wat* hebben ik en u daarmee van doen, Vrouwe? Mijn uur is nog niet gekomen.’ [5] Zijn moeder zei tegen de dienaren: ‘Wat Hij u ook beveelt, doe het maar.’ [6] Nu stonden daar zes stenen waterbakken ten behoeve van het Joodse reinigingsgebruik, elk met een inhoud van twee tot drie metreten*. [7] ‘Doe die bakken vol water,’ beval Jezus hun.
Ze deden ze vol water, tot de rand toe. [8] Vervolgens zei Hij: ‘Schep er nu wat uit en breng het naar de tafelmeester.’ En ze deden het. [9] De tafelmeester proefde het water dat wijn was geworden, maar wist niet waar die vandaan kwam; de dienaren die het water geschept hadden wisten het wél.
De tafelmeester riep dus de bruidegom [10] en zei: ‘Iedereen schenkt toch eerst de beste wijn, en de gewone pas wanneer er al flink gedronken is. Maar u hebt de beste wijn bewaard tot het laatst!’ [11] Dat was het begin* van Jezus’ tekenen, te Kana in Galilea. Hij* openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in Hem.
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Willibrordvertaling,
© Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.