Home Opinie & Nieuws Geloven Inspiratie Lifestyle Praktisch Contact
God, Jezus, H. Geest
Jezus Christus
Maria
Heiligen
Engelen
Bijbelse personen
Video Pick of the day


Jennifer Lopez - On the floor
Citaat Honger is een van de grootste schandalen van deze tijd, en de hoofdoorzaak is egoïsme
paus Benedictus XVI
Advertentie
 
  

 
Gebedsintenties
 
Jezus ik wil me graag aansluiten bij de noodroep van anoniem...
Doe dan iets als U God ben! Doe dan iets Here Jezus!!! Doe ...
Doe dan iets als U God ben! Doe dan iets Here Jezus!!! Doe ...
Goede Moeder Maria ik geloof in U zorg en U voorspraak bij J...
lieve god ik ben zo moe en ik wil zo graag van me maagklacht...
Heilige van de dag
Het Rijke Roomsche Leven Pedro Betancur


Het lijdensverhaal van Onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Joh 18,1 - 19,52

Na dit gebed vertrok Jezus met zijn leerlingen naar de overkant van de Kedronbeek*. Daar lag een tuin*, waar Hij met zijn leerlingen binnenging. [2] Ook Judas, die Hem ging overleveren, kende de plaats, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. [3] Zo kwam Judas erheen met de cohort* en een aantal gerechtsdienaren van de hogepriesters en farizeeën, voorzien van fakkels, lantaarns en wapens.
     [4] Jezus, die alles wist wat Hem zou overkomen, trad naar voren en vroeg: ‘Wie zoekt u?’ [5] Ze antwoordden: ‘Jezus, de Nazoreeër*.’ ‘Ik* ben het’, zei Hij, terwijl* Judas, die Hem overleverde, erbij stond. [6] Nauwelijks had Hij gezegd: ‘Ik ben het’, of ze deinsden achteruit en vielen op de grond. [7] Nogmaals stelde Hij hun de vraag: ‘Wie zoekt u?’ ‘Jezus, de Nazoreeër’, zeiden ze. [8] Jezus antwoordde: ‘Ik zei u al: Ik ben het. Als Ik de man ben die u zoekt, laat hen dan gaan.’ [9] Zo zou het woord in vervulling gaan dat Hij gesproken* had: ‘Van hen die U Mij hebt toevertrouwd, heb Ik niemand verloren laten gaan.’
     [10] Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, raakte de knecht van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. De knecht heette Malchus. [11] Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek dat zwaard in de schede. Zou Ik de beker niet drinken die de Vader Mij gegeven heeft?’ [12] Toen grepen de cohort met haar tribunus* en de Joodse gerechtsdienaren Jezus vast en boeiden Hem.

Jezus voor de hogepriester – door Petrus verloochend
     [13] Ze brachten Hem eerst naar Annas*. Hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was, [14] dezelfde Kajafas die de Joden de raad had gegeven: u hebt er alle belang bij dat één mens sterft voor het volk. [15] Nu waren Simon Petrus en nog een andere* leerling Jezus gevolgd. Deze leerling was een kennis van de hogepriester en ging tegelijk met Jezus het paleis van de hogepriester binnen. [16] Petrus was buiten aan de poort blijven staan; daarom ging de andere leerling, de kennis van de hogepriester, met de portierster praten en bracht toen Petrus naar binnen. [17] Het meisje aan de poort zei tegen Petrus: ‘Bent u ook niet een van de leerlingen van die man?’ – ‘Ik? Welnee!’ zei hij. [18] De knechten en de gerechtsdienaren stonden zich te warmen bij een houtskoolvuur dat ze hadden aangelegd omdat het zo koud was. Ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
     [19] De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer. [20] Jezus antwoordde hem: ‘Ik heb openlijk, voor de hele wereld, gezegd wat Ik te zeggen had; Ik heb altijd onderricht gegeven waar alle Joden samenkomen: in een synagoge* of in de tempel*; nooit had Ik iets in het geheim te zeggen. [21] Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen die gehoord hebben wat Ik te zeggen had: die weten heel goed wat Ik gezegd heb.’ [22] Op dit woord gaf een van de dienaren, die erbij stond, Jezus een klap in het gezicht en zei: ‘Is dat de manier waarop je de hogepriester antwoord geeft?’ [23] Waarop Jezus zei: ‘Als Ik iets verkeerd gezegd heb, toon dan aan wat er verkeerd aan was; maar als het ter zake was, waarom slaat u Me dan?’ [24] Toen stuurde Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kajafas.
     [25] Terwijl Simon Petrus zich stond te warmen, vroeg men hem: ‘Bent u soms ook een van zijn leerlingen?’ Hij ontkende het: ‘Ik? Welnee!’ zei hij. [26] Toen zei een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant van de man bij wie Petrus een oor had afgeslagen: ‘Ik heb u toch bij Hem in de tuin gezien?’ [27] Opnieuw ontkende Petrus het, en op hetzelfde ogenblik kraaide er een haan.

Jezus voor Pilatus
     [28] Men bracht Jezus toen van Kajafas naar het pretorium*. Het was vroeg in de ochtend. De* Joden gingen het pretorium niet binnen, om geen onreinheid op te lopen en het paaslam* te kunnen eten. [29] Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Welke aanklacht brengt u tegen deze man in?’ [30] Ze gaven hem ten antwoord: ‘Als Hij geen misdadiger was, zouden we Hem niet aan u hebben overgeleverd!’ [31] Daarop* zei Pilatus: ‘Dan moet u Hem zelf maar volgens uw wet berechten.’ De Joden antwoordden: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ [32] Zo zou het woord van Jezus in vervulling gaan waarmee Hij had aangekondigd op* welke manier Hij zou sterven.
     [33] Toen ging Pilatus het pretorium weer binnen en riep Jezus bij zich. ‘Bent U de koning van de Joden?’ vroeg hij. [34] Jezus antwoordde*: ‘Bent u daar zelf op gekomen of hebben anderen u over Mij verteld?’ [35] ‘Ben ik soms een Jood?’ zei Pilatus. ‘Uw eigen volk, uw hogepriesters, hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?’ [36] Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap* is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.’ [37] ‘U bent dus toch koning?’ zei Pilatus. ‘Ja’, zei Jezus, ‘Ik ben koning: met geen andere bestemming ben Ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen van de waarheid. Iedereen die uit* de waarheid is, luistert naar mijn stem.’ [38] ‘Waarheid?’ zei Pilatus. ‘Wat* is waarheid?’
     [38] Na deze woorden kwam hij weer naar buiten en zei tegen de Joden: ‘Ik acht Hem volstrekt onschuldig. [39] Maar u bent gewend dat ik ter gelegenheid van het paasfeest iemand vrijlaat. Zal Ik dus de koning van de Joden vrijlaten?’ [40] ‘Nee, Hem niet,’ riepen ze terug, ‘maar Barabbas!’ Barabbas was een bandiet.

Pilatus gelastte toen Jezus te geselen. [2] De soldaten vlochten een krans van doorns, zetten die op zijn hoofd en wierpen Hem een purperrode mantel om de schouders. [3] Daarna kwamen ze om de beurt naar Hem toe en zeiden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ En ze gaven Hem klappen in het gezicht.
     [4] Pilatus kwam weer naar buiten en zei: ‘Luister, ik laat Hem naar buiten brengen om u duidelijk te maken dat ik Hem volstrekt onschuldig acht.’ [5] Jezus kwam dus naar buiten, met zijn doornenkrans en zijn purperrode mantel. ‘Hier is Hij dan – de mens’, zei Pilatus. [6] Zodra ze Hem zagen begonnen de hogepriesters en hun dienaren te schreeuwen: ‘Kruisigen, kruisigen!’ Waarop Pilatus zei: ‘Dan moet u Hem zelf maar kruisigen; ik acht Hem onschuldig.’ [7] De Joden antwoordden: ‘Wij houden ons aan de wet, die zegt dat Hij ter dood gebracht moet worden omdat Hij zich voor Zoon van God uitgeeft.’ [8] Toen Pilatus dat hoorde, werd hij pas echt ongerust.
     [9] Hij ging het pretorium weer binnen en stelde Jezus de vraag: ‘Waar* komt U vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. [10] ‘U spreekt niet tegen Mij?’ zei Pilatus. ‘U weet toch dat ik de macht heb om U vrij te laten, maar ook de macht om U te laten kruisigen?’ [11] Jezus antwoordde: ‘U zou over Mij geen enkele macht hebben als u dit niet door de hemel vergund was. De zwaarste schuld ligt dan ook bij hem die Mij aan u heeft overgeleverd.’
     [12] Toen begon Pilatus alles in het werk te stellen om Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: ‘Als u zo iemand vrijlaat, verliest u de gunst van de keizer. Wie zichzelf tot koning maakt, komt in verzet tegen de keizer.’ [13] Toen Pilatus hen zo hoorde spreken, liet hij Jezus naar buiten brengen en plaatsnemen* op een verhoging, het zogeheten Plaveisel, in het Hebreeuws Gabbata. [14] Het was de voorbereidingsdag* voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Toen zei Pilatus tegen de Joden: ‘Hier is Hij dan – uw koning.’ [15] Maar ze schreeuwden: ‘Weg, weg met Hem! Aan het kruis met Hem!’ ‘Zal ik dan uw koning kruisigen?’ vroeg Pilatus. Maar de hogepriesters antwoordden: ‘We hebben geen koning, we hebben alleen de keizer!’ [16] Toen leverde hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden.

Kruisiging en dood van Jezus
     [16] Ze* namen Jezus dus over.
[17] Hij droeg* zelf het kruis en ging de stad uit, naar het zogeheten Schedelveld, in het Hebreeuws Golgota. [18] Daar werd Hij gekruisigd en met Hem twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. [19] Op het bordje dat op het kruis werd aangebracht, had Pilatus laten schrijven: ‘Jezus, de Nazoreeër, koning van de Joden.’ [20] Dit opschrift kregen heel wat Joden te lezen, want de plaats waar Jezus gekruisigd was, lag dichtbij de stad; en het stond er in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. [21] De Joodse hogepriesters zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet schrijven: “Koning van de Joden”, maar dat Hij gezegd heeft: “Ik ben de koning van de Joden.” ’ [22] Pilatus antwoordde hun: ‘Wat ik geschreven heb, blijft geschreven.’
     [23] Toen* de soldaten Jezus hadden gekruisigd, verdeelden ze zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar er was ook nog de lijfrok: die was naadloos, van bovenaf uit één stuk geweven. [24] Daarom zeiden ze tegen elkaar: ‘Die mogen we niet stukscheuren; laten we hem liever onder elkaar verloten.’ Zo moest het schriftwoord in vervulling gaan dat zegt: Ze hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld, en om mijn kleding hebben ze gedobbeld. Dit hebben de soldaten inderdaad gedaan.
     [25] Intussen* stonden bij het kruis van Jezus zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. [26] Jezus zag zijn moeder, en bij haar de leerling van wie Hij hield. Toen zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, daar is nu je zoon.’ [27] Vervolgens zei Hij tegen de leerling: ‘Daar is je moeder.’ Toen, van dat uur af, nam de leerling haar bij zich in huis op.
     [28] Jezus* wist dat alles thans volbracht was. Daarom zei Hij – want de Schrift moest ten volle in vervulling gaan – ‘Ik heb dorst.’ [29] Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. [30] Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf* Hij de geest.

Doorboring van Jezus' zijde
     [31] Omdat het voorbereidingsdag* was en de Joden niet wilden dat er op sabbat lijken aan het kruis zouden hangen – het was nog wel een heel bijzondere sabbat – vroegen ze aan Pilatus of men hun de benen mocht breken en hen weghalen. [32] Daarop kwamen de soldaten de benen breken van zowel de eerste als de tweede die met Hem gekruisigd was. [33] Maar toen ze bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al dood was, braken ze zijn benen niet. [34] Wel doorstak een van de soldaten met een lans zijn zijde, en meteen kwam er bloed* uit en water. [35] Hiervan getuigt iemand* die het gezien heeft – zijn getuigenis is betrouwbaar en hij is er zeker van dat hij de waarheid spreekt – opdat ook u zult geloven. [36] Want dit alles is geschied omdat* het schriftwoord in vervulling moest gaan: Geen been van Hem zal worden verbrijzeld, [37] terwijl nog een ander* schriftwoord zegt: Ze zullen opzien naar Hem die ze hebben doorstoken.

Begrafenis van Jezus
     [38] Hierna ging Jozef van Arimatea, een leerling van Jezus – maar in het geheim, uit vrees voor de Joden – aan Pilatus vragen of hij het lichaam van Jezus mocht weghalen, en deze stond het toe. Jozef kwam dus het lichaam weghalen. [39] Ook Nikodemus, die indertijd ’s nachts naar Jezus toe was gekomen, was daar en had een mengsel meegebracht van mirre* en aloë, ongeveer honderd* litra’s. [40] Ze bonden het lichaam van Jezus in linnen doeken, samen met de kruiden, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. [41] Op de plaats waar Hij gekruisigd was lag een tuin, en in die tuin lag een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet. [42] Omdat het de Joodse voorbereidingsdag was en het graf dichtbij lag, legden ze Jezus daarin neer.


Bron: Willibrordbijbel, 1995