Witte Donderdag
De donderdag in deze Goede Week wordt Witte Donderdag genoemd. De aanduiding "witte" donderdag is vanwegede liturgische kleding op deze dag. Het is de gewoonte om kruisbeelden in de kerk met een wit kleed te bedekken. Witte Donderdag maakt deel uit van het “Triduum sacrum” en is de dag voor Goede Vrijdag, de dag dat Jezus aan het kruis sterft.
|
Op Witte Donderdag wordt het Laatste Avondmaal en de instelling van de H. Eucharistie en het priesterschap herdacht. Het is de laatste maaltijd van Jezus met zijn volgelingen, voordat hij wordt gekruisigd. Tijdens de maaltijd brak Jezus het brood en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden:
‘Neem en eet, dit is mijn lichaam’.
Ook gaf hij hun de beker met de woorden
‘Drink er allen uit, want dit is mijn bloed, voor velen uitgegoten tot vergeving van zonden’ (Mt. 26, 26-28). |
Na de maaltijd gingen ze naar de Olijfberg. Hier werd Jezus door Judas publiekelijk verraden en gevangen genomen.
In de liturgie wordt de zogenaamde chrismamis steeds gelezen op de ochtend van Witte Donderdag. In de praktijk kan dit echter ook eerder in de Goede Week plaatshebben. Tijdens de chrismamis worden de drie heilige oliën (chrisma, ziekenolie, catechumenenolie), door de bisschop gewijd. De chrisma wordt gebruikt bij het sacrament van het vormsel en het sacrament van de wijding.
In de liturgie van Witte Donderdag wordt ruimte gemaakt voor de symbolische voetwassing van twaalf gelovigen door de priester. Zij symboliseren Jezus en de apostelen. Het tabernakel is leeg en de godslamp is gedoofd. Hosties worden na uitreiking van de communie naar een zijaltaar gebracht.
In sommige kerkdiensten en kloosters worden de donkere metten in ere gehouden. Metten zijn een onderdeel van het traditionele dagelijkse koorgebed van kloosterlingen.
De donkere metten worden wordt alleen tijdens het paastriduum gehouden.
De naam “Donkere Metten” is toepasselijk wegens het gebruik van de in de middeleeuwen ingevoerde driehoekige kandelaar. Hierop zijn zoveel kaarsen geplaatst als er psalmen gezongen worden, plus één. Er zijn 15 kaarsen, 14 ongebleekte als symbool voor rouw en één witte als symbool van Christus’ Leven en Opstanding. Na iedere psalm wordt een kaars gedoofd. Onder de lofzang van Zacharias worden ook de kaarsen op het altaar en het licht in de kerk gedoofd. De ene overgebleven kaars wordt dan achter het altaar gebracht en blijft daar tijdens de antifoon Christus factus est en het slotgebed. Met het terugbrengen van de kaars wordt de plechtigheid afgesloten.
De symboliek moge duidelijk zijn: de ene witte kaars, die blijft branden, verbeeldt Jezus. Hij wordt begraven, maar verrijst. In de gedoofde kaarsen heeft men wel de leerlingen van Jezus gezien die hem één voor één in de steek lieten.