Tarcisius
Het waslicht brandt, de belle klinkt
eenieder werpt zich neer.
En met ’t hoofd in ’t stof gebukt
aanbidt hij zijnen Heer.
Het machtig Priesterwoord
doorklonk de holle catacombe.
En Jezus Christus daalde neer
op ’s martelaars marmeren tombe.
„Wie uwer”, vraagt de grijze priester thans,
„Wie uwer is de held,
die met des Heren Heer belâan,
naar de enge kerker snelt?”
„Wie uwer waagt er ’t leven aan?
Om uwer broederend hart
te sterken tegen foltering,
verguizing, smaad en smart?”
„Ik, ik” zo roept een kinderstem
„Schenk vader mij die eer”.
En zie daar knielt een schone knaap
aan ’s priesters voeten nêer.
"Tarcisius, mijn dierbaar kind,
gij zijt voorwaar te kleen”.
„Neen Vader, juist mijn ted're jeugd,
drijft elk vermoeden heen.
Ik bid U Vader, hoor mij toch!”,
zo roept hij smekend uit.
En heft zijn beide handen op
als naar een kostb’re buit.
Zo dringend bidt zijn smekend oog,
bepareld met een traan.
Dat de oude Dyonisius,
niet langer kan weerstaan.
Hij wikkelt 't het Goddelijk Brood
in lijnwaad, fijn en wit.
En reikt 't aan den vromen knaap,
die knielend voor hem zit.
„Tarcisius, vermijd ’t druk gewoel,
ontwijk ’t eenzaam pad.
En lever wat er ook gebeurd,
aan niemand uwe schat”.
„Eer zal ik sterven”, roept Tarcisius
en drukt aan ’t kloppend hart
zijn dierb're last, waarvoor hij dood
en doodsgevaren tart.
Met de armen op de borst gekruist,
zweeft hij met vlugge schreên
en zedig neergeslagen oog
daar als een engel heen.
Daar treedt een vrouw hem in de weg
een edele matrone.
Gezegend wel, met goud en goed
helaas toch zonder zoon.
Zij ziet den knaap en spreekt hem aan
„Hoe is uw naam, mijn vrind?
Vertel mij, wie uw ouders zijn.
O, had ik zulk een kind”.
„Ik heet Tarcisius, mevrouw,
en ben een arme wees”.
„Kom dan bij mij en wees mijn zoon,
kom volg mij zonder vrees”.
„Nu kan ik niet”,
„Kom morgen dan, dat ik U alles geef”.
„Ja, goede vrouw, ik zal ’t doen,
wanneer ik dan nog leef”.
Met vlugge stappen snelt hij voort
maar wat gebeurt er hier;
Wat verschrikk'lijk leven en geweld
wat onbesuisd getier!
De school is uit, in dolle pret,
bevrijdt van boer en band.
Springt d'uitgelaten jeugd daarheen
en dartelt hand aan hand.
„Komt jongens, gauw een speelpartij.
Komt allen op de loop”.
’t Kan niet, een ontbreekt er ons”,
roept iemand uit de hoop.
„Maar zie, daar is Tarcisius
Gij komt van pas mijn vrind.
Kom en help ons in het spel
zo zeer door U bemint”.
„Petulius, nu kan ik niet”.
„Gij moet”, „ Ach hoor mijn beê
en laat me deze keer toch gaan”.
„Geen praatjes jij doet mee.
Gij draagt daar zeker ene brief,
geeft u die mij zo lang.
Gij krijgt hem weer bij 't eind van het spel.
Wees daarvoor dus niet bang”.
„Nee nimmer”, roept Tarcisius.
„Nooit krijgt gij in uw hand,
wat ik hier draag”.
„Laat zien dat kostbaar pand”.
„Neen nooit”, zo roept de jonge held.
„Neen nooit zo lang ik leef!”
„Nog eens, ik zeg u, laat mij ’t zien.
Laat zien of anders beef!”.
Hij schopt en slaat den armen knaap
en rukt hem heen en weer.
Maar met de armen op z’n borst gekruist,
omklemt hij zijnen Heer.
Terwijl hij door de grote knaap
wordt heen en weer gesleurd,
blijft iedereen verwonderd staan
en vraagt wat daar gebeurt.
„Een Christen is 't”, zo roept een stem,
„die zijn geheimen draagt.
Een christenhond, die voor ’t gelaat,
zijn lijf en leven waagt!”.
„Geef op ’t geheim!”, zo schalt de kreet.
„Neen nooit!”, roept de kloeke knaap.
Daar treft een forse hamerslag,
hem aan de rechterslaap.
Een tweede valt, een derde volgt,
tot hem ’t verlies van bloed.
Maar steeds met d'armen op de borst gekruist,
ter aarde zinken doet.
„Nu levert gij ons ’t geheim gij hond!”.
Maar hemel, wat is dat?
Hier wordt er een terneer gesmakt.
Dáár rolt er een op ’t pad.
Een reuzig officier verschijnt.
Werpt allen heen en weer.
En knielt met tranen in het oog,
Bij ’t stervend jongske neer.
„Tarcisius, mijn lieve vriend!
Wat heeft men u gedaan?”
„Quadratus, 'k draag het Goddelijk Brood.
Men viel mij daarom aan”.
Zoo teeder als een moeder kan.
Neemt hij het knaapje vast.
En richt zich naar de catacomb.
Met zijnen dierb're last.
Eén hield hem staan, een eed'le vrouw.
Die vol ontzetting riep:
„Mijn God! Dat is Tarcisius!
Die straks zoo vlug daar liep.
Wat heeft het arme wicht misdaan?
Dat 'k zóó hem wedervindt?”
„Mevrouw, zij hebben hem vermoord.
Een Christen was het kind”.
Verbaasd wijkt zij een stap terug.
Hij opent ’t brekend oog.
Hij lacht haar toe en met een zucht,
Ontvliedt hij naar omhoog.
De laatste blik van ’t stervend kind.
Die lach, vol englen min,
Verwon heur hart voor ’ t waar geloof.
Ook zij werd een Christin.