Kerkvaders
De kerkvaders zijn de vroege invloedrijke theologen en schrijvers in het christendom. De periode van de kerkvaders kan worden onderscheiden in de preniceaanse patristiek (100/120-325), hoogpatristiek (325-451) en de late patristiek tot ca.
750, in de Oosters-Orthodoxe Kerken tot heden). De leerlingen van de apostelen worden doorgaans tot in de tweede, soms derde, generatie
Apostolische Vaders genoemd en zijn geen kerkvaders.
Kerkvaders komen voor tot circa 750. Na deze periode wordt de bijzondere betekenis van theologen geëerd met de titel kerkleraar. De criteria om voor kerkvaderschap in aanmerking te komen:
-
wordt geciteerd in aan de kerk gerichte pauselijke documenten;
-
wordt geciteerd door een concilie;
-
wordt in samenkomsten van de vroege kerk publiekelijk gelezen;
-
wordt genoemd als sanctitate et doctrina insignis in het Martyriologium Romanum;
-
wordt door kerkvaders aangehaald als autoriteit.
In de RK Kerk drukt het predicaat 'kerkvader' niet een onwankelbare geloofstrouw van de bedoelde theoloog uit; zo kunnen Tertullianus en Origenes theologisch geproblematiseerd worden, maar toch als kerkvader gelden. In de Oosterse Orthodoxie wordt de eretitel kerkvader nog steeds en doorgaans impliciet verleend.
De grote kerkvaders in het Westen zijn:
Aan deze vier kerkvaders werd in 1295 ook de eretitel Kerkleraar geschonken, zie hieronder.
Grote kerkvaders in het Oosten zijn, die tevens de eretitel Kerkleraar verkregen: