Kerstman
‘Wie durft te zingen van vrede? Kinderen nóg. De ouderen zingen tegen beter weten in naar een gedroomde verte, blijven hopen omdat het hart niet anders kan. Het hoort toch bij Kerstmis? Een kind geboren in een wereld van dood, al tweeduizend jaar, er spelen verhalen en dromen omheen van onuitsprekelijke vrede, beelden van heimwee in ieder van ons…’
Ik lag voorover met mijn hoofd tussen mijn armen. Mijn geest was ver weg. Die zwierf langs plaatsen die mij bekend waren uit mijn kinderjaren. Ik wilde weer even daar zijn, bij het leven zoals ik mij voorstelde dat het zich daar op dat moment moest afspelen. Het was feest alom: in elk huis, in elke kerk, rondom de kerstboom of de kerststal. Bekende onbekende gezichten samen aan de maaltijd. Er klonken liederen. Opgewonden kinderkreten. En de straten lagen verlaten in de koude nacht.
Ineens was ik in een droom terechtgekomen. In die droom meende ik de gestalte van Jezus te zien, ronddolend in de nacht waarin de wereld zijn geboorte viert. Ineengedoken in zijn jas liep hij daar. Ik volgde Jezus en werd zijn schaduw. Wij gingen samen door de straten. Van tijd tot tijd bleef Hij stilstaan om te luisteren aan de deuren van de huizen. Toen Hij enkele ruwe woorden van afgunst en haat opving, kromp Hij in elkaar. ‘Voor hen daar ben ik dood’, zei Hij zachtjes. Zo gingen we een hele tijd voort, totdat we voor een kerk waren gekomen. Hij keerde zich naar mij om en zei: ‘Ik wil deze kerk binnengaan en zien.’ De kerk was goed gevuld met mensen die de dienst volgden. ‘Voor hen’, zei Jezus, ‘zou ik verheugd zijn als ik vannacht werkelijk geboren werd.’
We gingen de kerk uit en Jezus stond weer voor mij zoals eerst, en vervolgde: ‘Ik zoek een mens waarin Ik tot leven komen kan. Jij ziet dat Ik niet leef voor deze wereld. Ze hebben nog de moed de nacht van mijn geboorte te vieren. Jouw leven zou misschien niet te bekrompen voor mij zijn, als jij niet zo barstensvol zat met allerlei dingen. Je zou moeten leren loslaten wat jij ten onrechte noodzakelijk acht voor jezelf, alles waarmee je tevergeefs tracht je getob om aardse dingen te verlichten. Je zou van mij het honderdvoudige ontvangen van wat je verliest. Ik zoek een ziel waarin Ik kan leven. Het zou de jouwe kunnen zijn, of die van elk mens van goede wil. Je zou het honderdvoudige van mij ontvangen’, herhaalde Hij. Hij bleef mij strak aankijken.
‘Nee, dat kan ik niet!’ bracht ik er na een ogenblik van aarzeling uit.
Op dat moment viel ik met mijn hoofd op het harde tafelblad en schrok wakker, mijn pijnlijke hoofd wrijvend. Hij is hier! Jezus! Hij is hier en vraagt naar mij.
Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is? En wie ben Ik volgens jullie?’ (Mattheùs 16:13, 14)
‘Maar jij, wie zeg jij dat Ik ben?’ Vraag, die nooit tot rust komt en steeds weer opnieuw om een antwoord vraagt, tot onze Schepper wat Hij ooit begon zal hebben voltooid.
Jacob Korf
De auteur is predikant van de Vredeskapel/Duinzichtkerk in het Haagse Benoordenhout (bron: kerkindenhaag.nl)