De Duitse componist Johann Sebastian Bach schreef het Weihnachtsoratorim als zes cantates voor de periode van Kerst tot en met Driekoningen. Een oratorium is een vocaal werk voor orkest, solisten en koor. Meestal is een verteller (d.m.v. recitatieven) de drager van de handeling.
De teksten van de cantates komen uit de evangelieteksten (Mattheus en Lucas). In tegenstelling tot de Matteus Passion komen geen grote koralen voor. De muziek bestaat uit koren, recitatieven en aria's.
Zoals gezegd, er zijn zes cantates die tesamen het Weihnachtsoratorium vormen. U kunt doorklikken naar de tekst van de betreffende cantate.
Naar de eerste, derde en vierde cantate kunt u ook luisteren.
Eerste cantate De eerste cantate is geschreven voor Eerste Kerstdag. Het begint met een openingskoor, waarna in aria's en recitatieven het mensworden van Jezus wordt bezongen. Opvallend in deze cantate is het gebruik van de trompet in de muziek: in de tijd van Bach werd een trompet doorgaans alleen gebruikt voor muziek ter ere van vorsten.
Tweede cantate Bedoeld voor Tweede Kerstdag en door velen de mooiste en belangrijkste van de zes. De cantate begint met een instrumentale pastorale. De recitatieven, aria's en koorzangen vertellen vol vreugde van de engelen die de geboorte van Jezus aan de herders verkondigen.
Derde cantate De derde cantate is bedoeld voor de dag na Tweede Kerstdag. Hierin wordt het bezoek van de herders aan Jezus beschreven. In deze cantate staat vooral de dankbaarheid centraal.
Vierde cantate In de vierde cantate, geschreven voor Nieuwjaarsdag, wordt de naamgeving van Jezus behandeld.
Vijfde cantate In 1734/1735 was er geen zondag tussen Kerst en Oud & Nieuw, maar wel een tussen Oud & Nieuw en Driekoningen. De vijfde cantate werd gezongen op deze zondag na Nieuwjaarsdag. In deze cantate wordt het bezoek van de drie wijzen uit het oosten aan koning Herodes behandeld. De cantate vertelt over het licht dat de wijzen hebben gezien.
Zesde cantate Bedoeld voor Driekoningen. De zesde en laatste cantate vertelt van het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus (Driekoningen). In dit deel staat centraal dat de vijandelijke machten het Christuskind geen schade kunnen toebrengen. Bach maakte hier een koppeling naar het heden, door te stellen dat ook een gelovige, die zich onder Jezus’ bescherming stelt, veilig is.