Het maken van een kruisteken (of een kruisje slaan)
Het slaan van een kruisje is typisch iets voor katholieken, maar niet exclusief. Ook in de Oosters-Orthodoxe kerken, en in Anglicaanse kerken komt het kruisteken voor. Het is wel het bekendste gebaar, dat je niet alleen in de kerk ziet, maar ook bijvoorbeeld als voetballers het veld opkomen en bij het bidden voor het eten.
Het kruisteken maak je door met je rechterhand je voorhoofd aan te raken, daarna je hand recht naar beneden tot het midden van je borst te bewegen. Vervolgens wordt het kruisteken afgemaakt door de linkerschouder aan te raken en daarna de rechterschouder. Je maakt zo een kruis.
Het kruisje slaan is een zegenbede. De gelovige zegt of denkt erbij:
(Of in het Latijn: In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti).
Met het slaan van het kruisje tekenen we onszelf met het kruis, zoals het hele katholieke leven onder het teken van het kruis staat. Iedere Eucharistieviering begint en eindigt met het maken van het kruisteken. We verenigen ons dan met de heilige Drie-eenheid, Vader, Zoon en
heilige Geest.
Dit is het grote kruisteken. Er is ook het kleine kruisteken, met de duim op het voorhoofd, over de lippen en het hart, symbool voor het verstand, het spreken en het geloof. Dit gebeurt als inleiding op de evangelietekst.
In de Orthodoxe kerken wordt hetzelfde kruisteken gemaakt, maar de horizontale lijn gaat andersom: van de rechter- naar de linkerschouder. Ook het gebruik van de rechterhand is iets anders. De toppen van duim, wijsvinger en middelvinger worden bijeen gehouden als symbool voor de Drieënheid. De overige vingers liggen in de handpalm, als representatie van Christus Goddelijke en menselijke natuur.