Handoplegging
Al in het Oude Testament wordt de handoplegging als symbolisch gebaar gebruikt om iemand macht te geven (bij Mozes en Jozua bijvoorbeeld). In het Nieuwe Testament leggen de apostelen de handen op aan mensen die wel zijn gedoopt maar nog niet de
heilige Geest hebben ontvangen.
"Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de
heilige Geest", kun je lezen in Handelingen, hoofdstuk 8.
De verwijzende betekenis naar de
heilige Geest heeft niet aan kracht ingeboet. Integendeel.
Bij het sacrament van het vormsel en bij priester- en diakenwijdingen wordt de handoplegging als teken nog steeds gebruikt, met daarbij de bede dat de vormeling of priesterkandidaat de
heilige Geest mag ontvangen. Ook bij gebedsdiensten, bijvoorbeeld in charismatische kringen, wordt handoplegging toegepast.