De basis van het Gregoriaans
De Gregoriaanse gezangen zijn ter ondersteuning van de liturgie in de kerk. De Katechismus van de Katholieke Kerk (KKK 1156) bevestigt dit: "De muzikale traditie van de universele kerk heeft een schat geschapen van ongekende waarde, die de andere uitingen van kunst te boven gaat, met name doordat de gewijde melodieën aan de woorden gebonden zijn en zo een noodzakelijk of integrerend bestanddeel van de plechtige eredienst vormen".
Gezangen
Tot het Tweede Vaticaans Concilie was de Gregoriaanse traditie leidend in die liturgie. De Gregoriaanse gezangen worden gezongen:
Stijl en uitvoering
In de Gregoriaanse muziek'stijl' wordt onderscheid gemaakt tussen melismatische en syllabische melodieën.
Melismatische zang zijn lange melodieën op één lettergreep. Je hoort ze vaak bij korte gezongen teksten. Bij het Alleluia bijvoorbeeld wordt de laatste a lang "vastgehouden". Dit wordt de jubilus genoemd. Melismen zijn niet exclusief Gregoriaans. Ook in de belcantozang en in Arabische muziek komt deze zangtechniek voor. Maar ook zangeressen als Whitney Houston of Maria Carey wil nog wel eens een melisme ten gehore brengen in een lied.
Bij de syllabische zang (syllabe = lettergreep) krijgt iedere lettergreep een toon.
Op drie manieren wordt er eenstemmig en meestal zonder instrumentale begeleiding gezongen:
-
solistisch: alleen de voorzanger of priester zingt
-
responsoriaal (Lat. response: antwoord): solist en koor wisselen de zang af.
-
antifonen: afwisseling tussen twee koren.
Notatieschrift
Vanaf de tiende eeuw begon men de gezangen noten op te schrijven. Dit gebeurde in het begin eenvoudig: er werden boven de te zingen teksten accenten of streepjes gezet. Deze tekentjes gaven het ritme van het gezang aan. De toonhoogte werd niet aangegeven. De accenten, krullen of streepjes boven de tekst zijn voorbeelden van vroege neumen.
Op verschillende plaatsen werd in die tiende eeuw begonnen. Omdat men niet met elkaar in contact stonden, ontstonden verschillende notaties. Vroege neumen zijn die uit Metz en Sankt-Gallen. En nog steeds bestaat er variaties. Modernde varianten zijn de Lagal- en Fluxus-notatie.
Tegenwoordig worden muziekstukken in majeur of mineur geschreven. Het Gregoriaans kent dit onderscheid niet, sterker nog, het beschikt eigenlijk over veel meer toonaarden, modes of kerktonen.
Het Gregoriaans kent een notenbalk van vier lijnen (in plaats van de huidige vijf):
|
Dit teken markeert waar de do is op de notenbalk. In dit voorbeeld op de derde regel. Als de do is op C, dan de lijnen zijn F-A-C-E. |
|
Dit teken markeert do op de bovenste lijn. Als do is op C, dan zijn de noten op de lijnen D-F-A-C. |
Neumen
Gregoriaanse gezangen zijn geschreven in neumen. Een neum is een enkele noot, of een groep van noten, passend bij één lettergreep. Een neum kan daardoor oplopen tot vijf, zes of zelfs twintig noten. Het wordt dan een melismatisch gezang.
| Enkelvoudige noten: |
| Punctum |
Het punctum is een enkele noot. Wordt alleen in combinatie met elkaar of met andere noten gebruikt. |
|
|
| Virga |
Idem als punctum. Wordt alleen in combinatie met elkaar of met andere noten gebruikt. |
|
|
| Groep van twee noten: |
| Podatus (pes) |
Als twee noten boven elkaar staan genoteerd, wordt eerst de onderste gezongen, en dan de noot die er boven staat. |
|
|
| Clivis (flexa) |
Tegenovergesteld aan de pes: Als de hoge noot eerst komt, wordt dat zo genoteerd. |
|
|
| Groep van drie (of meer) noten: |
| Scandicus |
Drie of meerdere noten die omhoog gaan. |
|
|
| Salicus |
Drie of meer noten die omhoog gaan, waarvan de middelste een (verticale) episima heeft: deze noot is iets verlengd. |
|
|
| Climacus |
Drie of meer noten die omlaag gaan. |
|
|
| Torculus (pes flexus) |
Drie noten die omhoog en daarna omlaag gaan. |
|
|
| Porrectus flexus |
Een hoge noot, een lage noot en weer een hoge noot. |
|
|
| Climacus resupinus |
Het tegenovergestelde van een scandicus flexus |
|
|
| Torculus resupinus |
Laag, omhoog, omlaag en weer omhoog. |
|
|
| Pes subbipunctus |
Een noot omhoog en twee noten omlaag. |
|
|
| Virga subtripunctis |
Vier noten, die allemaal omlaag gaan. |
|
|
| Virga praetripunctis |
Tegenovergestelde van een virga subtripunctis: vier noten die allemaal omhoog gaan. |
|
|
|
Liquescensen |
| Ephiphonus (Liquenscent podatus) |
Kleine noten, die aan kracht inboeten omdat ze worden gezongen in een complexere lettergreep |
|
|
| Cephalicus (liquenscent flexa) |
De bovenste noot komt eerder dan de lagere |
|
|
| Pinnosa (liquenscent torculus) |
De bovenste noot komt eerder dan de lagere |
|
|
| Porrectus liquenscent |
De kleinste noot komt het laatste. |
|
|
| Scandicus liquenscent |
De kleinste noot is de hoogste. |
|
|
| Oriscus |
| Oriscus |
Een aanduidingsteken. De oriscus kondigt het belang van de volgende noot aan. |
| Quilisma |
| Quilisma of tandnoot |
Overgangsnoot dat glijdend wordt gezongen. De eerste noot wordt iets langer aangehouden dan de middelste. |
|
|
| Custos |
| Custos |
De custos wordt niet gezongen, maar is een aanduidingsteken: het geeft het einde van een lijn aan, om aan te geven welke noot op de volgende regel komt. |
|
|