IJsheiligen
De IJsheiligen zijn Sint Mamertus, Sint Pankratius, Sint Servatius en Sint Bonifacius. Zij vieren hun naamdagen op achtereenvolgens 11, 12, 13 en 14 mei. Het begrip IJsheiligen is waarschijnlijk een van de oudste en bekendste begrippen uit de volksweerkunde: al rond 1000 werd melding gemaakt van de koude heren.
In de meeste landen telt men vaak maar drie IJsheiligen. In sommige landen wordt Mamertus niet meegeteld, in andere landen hoort Bonifacius er niet bij. De laatste is niet de bekende Bonifatius, maar een Romeins burger, die in 307 de marteldood stierf tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus.
Sommige landen, waaronder Duitsland, Hongarije en Zwitserland, rekenden ook 15 mei nog tot de IJsheiligen. Dit was “koude Sofie”. Dat dateert uit de elfde eeuw, toen Sophie beschermelinge van de vorst was. In het Alpengebied werden indertijd op die dagen vuren ontstoken ter bescherming tegen de vorst.
De IJsheiligen danken hun naam aan de kans op nachtvorst; na deIJsheiligen zou dat gevaar geweken zijn: "het kan vriezen in de mei, tot de IJsheiligen zijn voorbij". Maar garanties zijn er niet: ook in juni nog kan het vlak boven de grond nog vriezen.
Soms wodt er ook gesproken van een IJsheiligenzomer. Het voorjaar staat bekend om zijn grote temperatuurwisselingen, en dus soms ook korte perioden van hoge temperaturen. Geregeld is dat ook in de periode van de IJsheiligen. De IJsheiligenzomer duurt meestal maar kort, maar dan kan het al behoorlijk warm worden. Zo werd het in Eindhoven op 12 mei 1998 maar liefst 32,5 graden.