Mozes en Aäron
Mozes is de zoon van Amram en Jochebed (dochter van Levi). Volgens het bijbelboek Exodus leefde hij in de 13e eeuw voor Christus (omstreeks 1481 voor Christus op grond van analyse van de Septuagint). Aäron is de drie jaar oudere broer van Mozes. Zij hadden één zus, Mirjam. Aäron was gehuwd met Eliseba, de dochter van Abinadab. Zij kregen vier zonen: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Beide broers zijn belangrijke profeten in de bijbel.
Mozes wordt geboren onder moeilijke omstandigheden. Zijn volk leeft onder Egyptische onderdrukking. Er was een geboortepolitiek ingevoerd: alleen meisjes mochten blijven leven. Daarom legde Jochebed Mozes in een papyrusmandje en zette deze tussen het riet van de Nijloever. De dochter van de farao vindt het mandje toen ze daar net een bad nam. Zij herkent het kind als van Hebreeuwse afkomst. Doordat zijn zuster Mirjam in de nabijheid was gebleven om een oogje in het zeil te houden, kon en durfde zij aan de dochter te vragen of zij een voedster voor hem bij de Hebreeuwse vrouwen zou gaan zoeken. De dochter ging hiermee akkoord en zou daarvoor betalen. Zo komt het kind via een omweg toch weer bij zijn moeder terug. Toen hij groot genoeg was, werd Mozes aan de dochter van de farao teruggegeven. Zij was het die hem de naam Mozes ('hij die optilt, uittrekt') gaf, 'want,' zei ze, 'ik heb hem uit het water getrokken.' (Exodus 2:10).
Mozes groeit op aan het Egyptische hof en komt pas op zijn veertigste jaar tot het besef dat hij eigenlijk bij een ander volk hoort. Hij gaat dan naar Israel. Hij ziet de onderdrukking door de Egyptische slavendrijvers en vermoordt een van hen. Ook de farao hoort van het voorval en wil Mozes doden. Mozes weet aan de farao te ontkomen en vlucht naar Midjan. Hij wordt daar herder. Hij trouwt daar met Sippora, de dochter van Jetro.
Braambos
In Exodus staan bekende verhalen over de twee broers. Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb. Er verscheen een engel aan hem, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichterlaaie stond en toch niet verbrandde. Hij dacht: ‘Ik ga eropaf om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?’ De Heer zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: ‘Mozes, Mozes.’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Toen sprak God: ‘Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar u staat is heilige grond.’
Vlucht uit Egypte
God vertelt dat Mozes het Joodse volk moet gaan redden. Mozes gehoorzaamt aan God en vertrekt naar Egypte om het volk van Israel uit Egypte te leiden. Mozes denkt niet dat de Israelieten naar hem zouden luisteren. God vroeg hem toen: ‘Wat heb je daar in jouw hand?’ Mozes antwoordde: ‘Een staf.’ God beval: ‘Laat hem op de grond vallen.’ Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit. Toen sprak de Heer tot Mozes: ‘Steek uw hand uit en grijp haar bij de staart.’ Hij stak zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd deze weer een staf. ‘Zo zullen ze geloven dat de Heer u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ (Ex. 4). Eenmaal in Egypte aangekomen, bezoekt Mozes de farao en vraagt hem de slaven te laten gaan uit naam van God. De koning weigert, en de slaven moeten vervolgens nog harder werken. Mozes gaat opnieuw naar de farao, nu samen met Aäron, en God laat hem zeggen dat Egypte tien plagen zou overkomen als de koning blijft weigeren. Aäron assisteert zijn jongere broer omdat hij een betere spreker is.
Tien plagen en de wijkende zee
Dat gebeurt ook. Tien plagen (water verandert in bloed, Egypte wordt geteisterd door heel veel kikkers, muggen, steekvliegen en hagel, vee sterft door de pest, mensen krijgen builen en zweren door roet, er komt een sprinkhanenplaag dat het land kaal vreet, er is een zonsverduistering, en vele eerstgeborenen overlijden) teisteren Egypte en nadien neemt Mozes zijn volk mee, door God de weg gewezen door de woestijn en door de Rietzee.
“De engel van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op. Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten in te staan. De wolk bleef donker zodat het die nacht niet tot een treffen kwam. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de Heer liet die hele nacht door een sterke oostenwind* de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren splitsten. Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van de farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. Tegen de ochtendwake richtte de Heer vanuit de vuurzuil en de wolkkolom zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen, zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: ‘Laten we vluchten voor de Israëlieten, want de Heer strijdt voor hen tegen ons.’ Toen sprak de Heer tot Mozes: ‘Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.’ Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. En omdat de Egyptenaren er tegenin vluchtten dreef de Heer hen midden in de zee. Het water dat terugvloeide overspoelde de wagens en de wagenmenners, heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Er bleef er niet één gespaard.” (Exodus 14).
Tien Geboden
Drie maanden na hun vertrek uit Egypte, bereiken ze de Sinaïwoestijn, vlakbij de berg Horeb. Mozes gaat de berg op en daar verschijnt God opnieuw aan Mozes. God geeft de Tien Geboden via Mozes aan de mensen. Bij de gebeurtenis is ook zijn broer Aaron eveneens aanwezig. God geeft Mozes de stenen plaat met daarop de wetten en de geboden. Mozes blijft veertig dagen en nachten op de berg. Vervolgens krijgt Mozes instructies om een heiligdom voor God te maken, met hele concrete aanwijzingen voor een altaar, tabernakel, oliën, priesterkleding en het Ark van het Verbond.
Het gouden kalf
Deze periode is tegelijkertijd de meest ontluisterende uit Aärons leven. Vermeld wordt dat Aäron het volk de vrije teugel had gegeven en op hun verzoek een afgod voor hen maakte. De Israëlieten meenden namelijk al gauw dat Mozes niet meer terug zou komen van de berg en drongen er bij Aäron op aan dat hij voor hen een gouden beeld zou maken om hen verder te leiden. Het verhaal vermeldt geen enkele vorm van protest van Aäron. Na omsmelting van alle oorringen die de mensen hem gaven maakte hij toen een gouden kalf, dat het volk aanbad als de god die hen uit Egypte had bevrijd. Toen Mozes van de berg was afgedaald en dit zag, sloeg hij uit woede de twee stenen 'tafelen' met de ingegraveerde Tien geboden stuk. Hij vernielde het beeld, liet de Levieten (die niet mee hadden gedaan) een groot aantal Israëlieten doden en vroeg God Aäron en het volk te vergeven.
Overlijden van de twee broers
Een belangrijk deel van de veertig jaar tussen de uittocht en de intocht werd doorgebracht in de steppe van Kades-Barnea. Toen het zwervende volk ten slotte Kanaän in bezit nam, was de leiding overgenomen door Mozes' dienaar Jozua. De intocht in het land Kanaän maakt Mozes niet meer mee, volgens het bijbelboek Deuteronomium (hoofdstuk 34). “Toen ging Mozes vanuit de vlakte van Moab de berg Nebo op, naar de top van de Pisga, recht tegenover Jericho. En de Heer liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan, heel Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, het gebied van Juda tot aan de zee in het westen, de Negeb, de Jordaanstreek, de vlakte van Jericho, de palmenstad, tot Soar toe. Toen zei de HEER tegen hem: ‘Dat is nu het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heb en waarvan Ik heb gezegd: aan uw nakomelingen zal Ik het geven. Ik heb het u met eigen ogen laten zien, ofschoon u de overtocht daarheen niet zult meemaken.’ Daar in Moab stierf Mozes, de dienaar van de HEER, zoals deze dat gezegd had. Hij werd begraven in het dal bij Bet-Peor in Moab; tot vandaag toe weet niemand waar zijn graf ligt. Mozes was honderdtwintig jaar toen hij stierf; zijn ogen waren niet verzwakt en zijn krachten niet afgenomen.”
De plaats en omstandigheden van het overlijden van Aäron had God van tevoren aan Mozes en hem verteld. Aäron zou de berg Hor beklimmen, samen met Eleazar. Daar moest hij zijn hogepriesterlijke gewaden en zijn ambt aan zijn zoon overdragen. Daarna zou Aäron sterven. Hij overleed, 123 jaar oud, in het veertigste jaar van de uittocht, vlak voordat het volk Israël het beloofde land zou binnentrekken. Niet lang daarna stierf ook Mozes, 120 jaar oud. Later werd Aärons lichaam overgebracht naar Jabal Haroun nabij Petra in Jordanië. Bovenop de berg staat een klein mausoleum met een opvallende witte koepel.
|