Kerkelijk recht
Het kerkelijk of canoniek recht wordt zowel door de RK Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk als door de Anglicaanse kerk toegepast. Het kerkrecht is gebaseerd op de belangrijkste bronnen van het katholieke geloof: de Bijbel, de (werken van) kerkleraren en de traditie.
|
Het kerkrecht ontstond in dezelfde periode als het Romeinse recht. Later, in de 12e eeuw publiceerde de monnik Gratianus een verzameling van rechtsregels, concilieteksten en pauselijke besluiten als 'Decretum Gratiani'. DIt decretum is de grondtekst voor het latere wetboek van de kerk, de corpus iuris canonici (CIC). Het decretum werd nadien bijvoorbeeld aangevuld met teksten van Gregorius IX (Liber Extra) en Bonifatius VIII (Liber VI). Omdat in de loop der tijd het een enorme verzameling teksten werd, besloot paus Pius X om alle kerkelijke wetgeving te verzamelen, te analyseren en te herschikken. Het werk nam maar liefst twaalf jaar in beslag en kwam na de dood van paus Pius X gereed: op 19 mei 1918 werd de hernieuwde juridische Codex ingevoerd. |
Grondwet?
Het doel van het canoniek recht is pastoraal. Rechtsregels in de kerk hebben bestaansrecht vanuit de het geloof en liefde. De laatste hervormingen in het canoniek recht stammen uit 1983, voortvloeiend uit uitkomsten van het Tweede Vaticaans Concilie.
Zeven boeken
De CIC bestaat uit zeven boeken:
Boek 1 handelt over de algemene normen (De normis generalibus). Ingegaan wordt bijvoorbeeld op de reikwijdte van de canones van het wetboek, de kerkelijke wetten, statuten en reglementen. Ook wordt het vraagstuk van rechtspersonen en rechtshandelingen behandeld, waaronder de kerkelijke ambten (toekenning, verkiezing, verlies, verplaatsing e.d.)
Vervolgens (afdeling 1) worden de kerkelijke ambten besproken. Het behandelt de positie van de paus en het bisschoppencollege, de kardinalen van de Heilige Kerk, de Curie en gezanten van de paus en de kerkprovincies met hun (aarts)bisdommen en bisschoppen en bisdomorganisatie. Ten slotte worden de parochies, pastores en parochievicarissen (vroeger 'kapelaan') besproken.
Het derde deel van Boek 2 gaat over de kloosters, met een mooi woord 'instituten van gewijd leven' en hun relatie tot de kerk. Opnieuw wordt stilgestaan bij aard en wijze van bestuur en opleiding en opname van mensen die in een kloostergemeenschap (willen) leven.
Boek 3 betreft de verkondigingstaak van de kerk (De ecclesiae munere docendi): Het is Christus die de aan de Kerk het geloofsgoed heeft toevertrouwd. Het is vervolgens die kerk die de geopenbaarde waarheid dient te bewaren, te onderzoeken, te verkondigen en uit te leggen. Uitgelegd wordt hoe belangrijk de missie, verkondigings- en predikingstaak van de katholieke kerk is, vanuit het gedachtegoed dat de hele kerk missionair is. De uitdraging ven het katholieke geloof zou derhalve plaats moeten vinden in de opvoeding, op scholen, aan universiteiten of via verschillende media, van boeken tot het internet.
De heiligingstaak van de kerk omsluit het vierde boek (De ecclesiae munere sanctificandi). Op bijzondere wijze gebeurt dit door de heilige liturgie. Liturgie kan worden beschouwd als de uitoefening van de priesterlijke take van Jezus. Boek 4 staat stil bij de zeven sacramenten van de kerk en hoe deze moeten worden gevierd. Ook staat de codex stil bij scheidingen, uitvaarten, heiligenverering, heiligdommen en kerken en de kerkelijke feestdagen.
Boek 5 gaat in op materie (De bonis ecclesiae temporalibus): goederen in het bezit van de kerk. Wat mag een kerk bezitten, hoe moeten kerkelijke goederen worden beheerd, een stukje contractrecht en erfenissen en legaten.
Zoals in het burgerlijk recht dat is geregeld, bevat de CIC ook sancties en bestraffing. De uitvoering daarvan ligt bij de bisdommelijk rechtbank (het officialaat). Boek 6 gaat in op kerkelijke misdrijven (De sanctionibus in ecclesia), straffen en dwalingen en hoe de kerk daar kerkjuridisch mee om gaat. Strafmaatregelen zijn in te delen naar verbeteringsstraffen of uitboetingsstraffen (in het zwaarste geval excommunicatie). Misdrijven worden ingedeeld naar misdrijven tegen de godsdienst en de eenheid van de kerk, tegen de kerkelijke gezagsdragers, het wederrechtelijk toeeigenen van kerkelijke taken (bijvoorbeeld priester zijn, terwijl je niet gewijd bent), vervalsingen of tegen het leven (dood, bedrog, sexueel misbruik e.d.)
De processibus is boek 7 ten slotte, waarin wordt besproken hoe de rechtsgang in elkaar steekt. Hoe werken processen voor een kerkelijke rechtbank? Zo zijn er verschillende rechtsinstanties en functies en staat vast hoe de behandeling in zijn werk gaat, zoals aangifte, bewijsvoering, getuigen- en deskundigenverklaringen, kracht van gewijsde en het gehele verloop van het proces.
|