Navigatie: Home >

3-3-2007 / De onschatbare waarde van de familie / dr. Ilse Kerremans

De onschatbare waarde van de familie door de ogen van Edith Stein

 

door dr. Ilse Kerremans
 
Deze lezing werd voorgedragen tijdens een bezinningsdag op 3 maart 2007 bij de Zusters Karmelietessen van het Goddelijk Hart van Jezus. 
 
Wanneer we goed geïnformeerd zijn over het leven in de familie Stein, hebben we dit te danken aan het feit dat Edith Stein haar autobiografie geschreven heeft met als titel Uit het leven van een joodse familie. Het grootste gedeelte van het manuscript werd geschreven in 1933. In januari 1933 kwam Hitler aan de macht en Edith Stein werd uit haar amt gezet als docente aan het pedagogisch instituut in Münster. Zij keerde terug naar Breslau.

In nauwelijks zes maanden, van april 1933 tot september schreef zij daar het eerste gedeelte van de autobiografie meer bepaald Uit moeders herinneringen. Oktober 1933 is haar intrede in de karmel van Keulen en eerst anderhalf jaar later komt het tweede gedeelte tot stand: Uit onze familiegeschiedenis: de twee jongsten. Het blijft onvoltooid omdat zij zich volledig concentreert op haar filosofisch werk Endliches und ewiges Sein. Er was namelijk een visitatie geweest van de provinciaal Theodoor Rauch in de karmel van Keulen en hij had haar gevraagd het filosofisch werk te voltooien. Het is slechts enkele dagen voor haar vlucht naar Echt dat Edith Stein het werk terug opneemt maar ze kan slechts enkele bladzijden schrijven. Na de Reichskristallnacht 9 november 1938 besft Edith dat zij een gevaar is voor haar medezusters en op Oudejaarsavond 1938 vlucht zij naar Echt. Zij riskeert het niet het manuscript van de autobiografie mee te nemen omdat het uiteraard een en al verwijzing is naar haar Joodse afkomst. Het is Dr. Rhabanus Laubenthal die het manuscript in februari 1939 naar Echt brengt.

De laatste stukken van de aanvullende aantekeningen werden op 27 april 1939 geschreven, de eerste verjaardag van de dood van Edmund Husserl. In haar testament van 9 juni 1939 vernoemt Edith Stein ook deze familiegeschiedenis, zoals zijzelf het manuscript noemde. Ze vraagt de tekst niet te publiceren zolang haar boers en zusters leven en ook het ook niet door hen te laten lezen. Over het al dan niet publiceren van de tekst moet de orde beslissen. De publicatie is inderdaad met de nodige moeilijkheden verlopen.

 

Motivatie

Waarom beslist Edith Stein tot het schrijven van haar levensherinneringen?

Uit het leven van een joodse familie is geschreven als reactie tegen de toenmalige anti-joodse propaganda. In het voorwoord schrijft zij:

 

“De laatste maanden hebben de Duitse Joden uit hun rustig, gewoon bestaan gehaald. Zij werden gedwongen om na te denken over zichzelf, hun wezen en lot. Maar ook aan vele andere, buiten de partijen staande mensen, werd het jodenvraagstuk opgedrongen door de gebeurtenissen. In kringen van de katholieke jeugd bijvoorbeeld werd die vraag zeer ernstig en met grote verantwoordelijkheidzin gesteld. Ik heb in deze maanden telkens weer aan een gesprek moeten denken, dat ik enige jaren geleden had met een pater. Hij drukte mij op het hart, om op te schrijven wat ik, als kind uit een joodse familie, had leren kennen van het joodse mensdom, omdat buitenstaanders zo weinig van zulke feiten weten. Verschillende andere taken hebben mij toen belet om ernstig op dit voorstel in te gaan. Toen op de laatste dag van maart met de nationale revolutie de strijd tegen de Joden in Duitsland begon, dacht ik er weer aan. ’Als ik maar eens wist, hoe Hitler tot zijn verschrikkelijke haat tegen de Joden gekomen is’, zei een van mijn joodse medestudenten in een van die gesprekken, waarin men iets probeerde te begrijpen van hetgeen boven ons losbarstte. De propagandabladen en redevoeringen van de nieuwe machthebbers gaven het antwoord op die vraag.

Als vanuit een holle spiegel kijkt een verschrikkelijk scheef getrokken beeld ons aan. Laat het beeld volgens eerlijke overtuiging getekend zijn. Laat de afzonderlijke trekken ontleend zijn aan levende modellen. Maar is dan het joodse mensdom zonder meer de noodzakelijke uitwerking van het joods bloed? Zijn de groot-kapitalisten, de vuile litteratoren en onruststokers, die in de revoluties van de laatste decennia een leidende rol speelden, dan de enige of tenminste de meest echte vertegenwoordigers van het jodendom? In alle lagen van het Duitse volk zal men mensen vinden, die deze vraag ontkennen: zij zijn als werknemers, buren, school- of studiemakkers met joodse families in aanraking gekomen; zij hebben daar hartelijke goedheid, begrip, warme deelname en hulpvaardigheid gevonden; en hun gevoel van rechtvaardigheid komt in opstand, omdat deze mensen nu tot paria’s veroordeeld worden. Vele andere mensen beschikken niet over zulke ervaringen. Vooral aan de jeugd, die nu vanaf hun prille jaren in rassenhaat wordt opgevoed, ontneemt men deze kans. Ten opzichte van hen hebben wij, die in het jodendom zijn opgevoed, de plicht om getuigenis af te leggen.”

 

Hierin komen nu twee belangrijke aspecten van Edith Stein naar voor:

1. Edith Stein als pedagoge: zij richt zich tot de jeugd. De jeugd is door het gebrek aan ervaring zeer gemakkelijk te beïnvloeden, wat ook door de toenmalige machthebbers duidelijk misbruikt werd.

2. Edith Stein als filosofe. Zoals we weten handelde haar thesis tot het behalen van de titel van Doctor in de wijsbegeerte over het thema: “Zum Problem der Einfühlung” - de empathie. Ze doet beroep op ons vermogen van invoeling, om uitgaande van onze eigen jeugdervaringen mee te kunnen leven in een joodse familie en op deze wijze vast te stellen dat er geen fundamentele verschillen zijn, met andere woorden dat het onmogelijk is dat deze joodse medemensen als verstotenen moeten beschouwd worden.

 

Het schrijven van deze autobiografie heeft dus zeker een sociale en politieke betekenis maar wat kan het voor haarzelf betekend hebben?

Zij schrijft deze biografie in 1933, het boven geciteerd voorwoord is gedateerd op 21 september 1933 op een tijdstip dat er voor haarzelf een enorme bedreiging bestond voor haar integriteit. Als Jodin was zij tot verschoppeling verklaard in de Duitse samenleving; als karmelietes(zij is op 14 oktober1933 ingetreden in de Karmel van Keulen) had zij zichzelf van haar joodse familie vervreemd.

Op dit kruispunt in haar leven, waar alles schijnt uiteen te vallen, is het schrijven van haar biografie ook een poging tot een herstel van  eenheid. Het is een testament aangaande een familieleven, dat zij, in een bewuste keuze verlaat.

In zijn boek The autobiographical Conciousness stelt William Earle, een hedendaags Amerikaans fenomenoloog, het volgende:“Het ‘Ik’ dat een bepaalde gebeurtenis toen beleefde en het zich nu herinnert, moet één en hetzelfde zijn, of mijn daden in het verleden kunnen nooit de mijne zijn nú”

 

Dus haar jeugdherinneringen staan in continuïteit met haar levenskeuze op het ogenblik waar zij ze neerschrijft en dit is als karmelietes. Edith Stein schrijft daarom ook haar herinneringen als christen. Voor haar persoonlijk, was dit geen vervreemding van het jodendom, maar eerder een vervulling en vervolmaking hiervan in haar geloof aan Jezus Christus. Haar autobiografie was dus enerzijds een vorm van politiek verzet tegenover de toenemende jodenhaat maar ook een poging vast te houden aan de eigen identiteit.

 

Herinneringen aan haar moeder

Moeder Stein was de vierde van 15 kinderen. Dit betekent ook dat Edith Stein een grote schaar had van neven en nichten. De vakanties bestonden vaak in een logeerpartij bij de verschillende ooms en tantes, uiteraard allemaal Joods. Moeder Stein wist van kindsbeen af wat werken betekent. Zij was nooit te moe om nog extra werk te doen en ze kreeg het goed voor mekaar te breien en gelijktijdig te lezen. Dat was tijdens heel haar leven haar enige ontspanning. Ze had ook wel geleerd wat piano te spelen maar later had zij hiervoor geen tijd meer. Verder schrijft Edith Stein:

 

“Mijn moeder bracht elf kinderen ter wereld, van wie er vier zeer jong stierven. Tot de droevige herinneringen, waarover mijn moeder telkens weer sprak, behoorde de roodvonk epidemieën Gleiwitz. De kleine Hedwig, een heel lief kind, dat moeder al een beetje begon te helpen, stierf eraan. Mijn oudste broer Paul kwam de ziekte te boven, maar mijn moeder meent, dat hij sindsdien veranderd is. Hij was een mooi, zeer begaafd en levendig kind. Later werd hij een stil, schuchter en gesloten mens, die zichzelf en zijn gaven niet kon doen gelden.”

 

Al die beginjaren heeft de familie grote geldnood gekend en zij waren aangewezen op de hulp van de grootouders vooral lang moeders kant, wat moeder Stein wel als een vernedering ondervond. Ook nadat zij naar Breslau verhuisd waren kende de nieuwe zaak niet de verwachte groei. Die groei zal er maar komen nadat vader Stein plots overleden was en moeder Stein de teugels in de hand nam.

Edith Stein schrijft:

 

“Dat moeder in haar huwelijksleven ook nog veel moest verdragen, daarover heeft zij nooit één woord gezegd. Zij heeft altijd alleen maar op liefdevolle wijze over vader gesproken en wanneer zij nu, na zoveeel tientallen jaren, aan zijn graf staat, dan ziet men, hoe het leed om zijn verlies nog niet vergeten is. Na zijn dood heeft zij steeds zwarte kleren gedragen”.

 

Na de dood van haar man zijn de meeste familieleden overtuigd dat Frau Stein het niet alleen kan redden. Men biedt haar wel hulp aan maar probeert haar toch ook te overtuigen de zaak op te geven. Maar Frau Stein zet zich door en neemt heel het beheer van de zaak op zich en ook de opvoeding van de zeven kinderen. Zij zal de oudere kinderen ook niet verplichten in de zaak te helpen. De twee broers doen het wel omdat zij eventueel de zaak moeten overnemen maar de dochters mogen hun eigen wegen gaan. Maar ook in de familie Stein telt het gezegde: “Kleine kinderen, Kleine zorgen. Grote kinderen, grote zorgen”.Paul heeft zich in het geheim verloofd en is van huis weggetrokken. Tot een echte warme relatie tussen moeder en zoon is het niet meer gekomen, maar niettegenstaande dat kwam Paul elke vrijdagavond naar huis om het begin van de Sabbat te vieren.

Hier ziet men ook dat religie een grote band vormde in de familie Stein, een band die alle andere moeilijkheden oversteeg. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Edith Stein hier dieper op ingaat:

 

“Tot de grote gebeurtenissen van het huiselijk leven behoorden, naast de familiefeesten, de hoge joodse feestdagen: op de eerste plaats het Peszach (= Paschafeest) ongeveer samenvallend met de paastijd, dan ook het Nieuwjaarsfeest en de Verzoening (in september of oktober al naargelang de verschuiving van de joodse naar de gregoriaanse kalender). Het is aan de meeste christenen niet bekend, dat het feest van de ongedesemde broden, de herinnering aan de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte, heden nog zó gevierd wordt als de Heer het met zijn apostelen vierde, toen Hij het allerheiligste Sacrament des altaars instelde en van hen afscheid nam. Er wordt weliswaar geen paaslam meer geslacht na de val van de tempel in Jerusalem, maar nog altijd verdeelt de heer des huizes onder de voorgeschreven gebeden de ongedesemde broden en de bittere kruiden, die aan het lijden van de verbanning herinneren, zegent de wijn en leest het bericht over de bevrijding uit het land van Egypte voor. Met een halsstarrige logica, eigen aan de joodse geest, zijn de gebruiken van het feest ontwikkeld; een hele week wordt geen gedesemd brood gegeten en niets van dien aard gebruikt, of in huis geduld. Een groot gezin heeft natuurlijk een grote voorraad ongedesemd brood (mazzen) nodig. Het wordt in speciale bakkerijen volgens bepaalde voorschriften onder toezicht van de rabbi klaargemaakt. Wij kregen het al enige tijd vóór het feest in grote rollen van bruin of grijs papier, maar het mocht voor de eerste “Sederavond” (zo genoemd volgens de bepaalde volgorde van de maaltijd) niet worden aangeraakt. Op de voorbereidingsdag van het feest wordt het hele huis ondersteboven gezet. Al het gedesemde wordt verwijderd, de laatste broodkruimels bijeengeveegd en verbrand. Maar dat is nog niet voldoende: alle vaatwerk wordt op zolder of in de kelder gezet en in plaats daarvan neemt men ander vaatwerk, dat het hele jaar gestaan heeft en nu eerst schoongemaakt moet worden. (In mijn jeugd werd alles zo gedaan, later hebben de liberale oudere broers en zussen van mijn moeder veel afgeschaft.)

De vrouwen hebben op die voorbereidingsdagen veel werk en zijn blij wanneer het avond wordt en het feest begint; ( De joodse feesten beginnen op de vooravond, wanneer de eerste ster aan de hemel staat.)

Wij verheugden ons, als kinderen, natuurlijk altijd zeer op die onderbreking van het alledaagse leven, begroetten de koppen en schotels, die wij een jaar lang niet gezien hadden en verheugden ons op de goede gerechten, die wij in die tijd zouden krijgen. Toch duurde de week echt lang en was het weer feest, als de lang gemiste boterham weer op tafel kwam. Wij verheugden ons ook op die avonden vanwege de feestelijke opeenvolging van gerechten en talrijke gebeden. Ik had daarbij een aparte rol: de liturgie van de Sederavond bevat een reeks vragen, waarin het jongste kind vraagt, waarom op deze avond alles zo heel anders is dan anders. De heer des huizes antwoordt daarop en legt de verschillende gebruiken uit. Later, toen ik al “ingelicht” was, vond ik het fijn dat er neven en nichten waren, die mij aflosten.

In het geheel leed de wijding van het feest eronder, dat alleen mijn moeder en de jongere kinderen er eerbiedig bij waren. De broers, die in plaats van de gestorven vader de gebeden moesten bidden, deden dat op weinig eerbiedige wijze. Als de oudere er niet was en de jongere de rol van de huisvader moest overnemen, liet hij duidelijk merken, dat hij zich innerlijk over dat alles vrolijk maakte.

Nog hoger in rang dan dit feest staan het Nieuwjaarsfeest en de Verzoendag. Het Nieuwjaarsfeest wordt twee dagen gevierd. Op de vooravond begint het ook met een feestmaaltijd. De huismoeder bakt daarvoor (zoals voor ieder Sabbat) “Barches”, een fijn soort wittebrood; op andere dagen wordt het volgens bepaald voorgeschreven wijze tot lange vlechten gevlochten, maar voor Nieuwjaar wordt het rond gebakken. Dit brood wordt vooral bij het vlees gegeten. Bij het begin van de maaltijd wordt het aangesneden en ieder aanzittende ontvangt zijn deel; de verdeling heeft nauwkeurig volgens de leeftijd plaats. Voordat men ervan eet, bidt men het zegeninggebed: “Geprezen zijt Gij, God, Heer der wereld, Gij, die uit de aarde voedsel voortbrengt.”

Op deze avond kregen wij bovendien honing en de eerste druiven. Mijn moeder at vóór Nieuwjaar nooit druiven. Voor de koffiemaaltijden werden grote voorraden lekkere koeken gebakken. De gebedsvolgorde is voor Nieuwjaarsavond niet zo uitgebreid als voor de Sederavond, d.w.z. in de huiselijke viering. In de synagoge is er in op de vooravond en op beide feestdagen een grote plechtigheid.
Het jodendom heeft een goed ontwikkelde liturgie, vaste gebedsuren voor iedere dag en voor de hoge feesten een godsdienstige regeling, die het grootste gedeelte van de dag vult. (Uit deze liturgie, samengesteld uit Psalmen en Schriftlezing, is de liturgie van de Kerk ontstaan.)

Mijn moeder gaat op de vooravond gewoonlijk niet naar de synagoge, maar bidt stil voor zichzelf alleen uit haar gebedenboek, nadat zij eerbiedig onder de voorgeschreven gebeden en op het vastgestelde uur de kaarsen heeft aangestoken op de hoge, zilveren kandelaars, waardoor het begin van het feest wordt aangekondigd.

’s Morgens gaat zij echter naar de synagoge ( te voet omdat men op feestdagen geen rijtuig gebruikt; elke arbeid is dan verboden en men mag ook geen gebruik maken van de arbeid van andere mensen) en komt pas voor het middageten terug. De kinderen gingen gewoonlijk niet met haar mee, maar haalden haar ’s middags af. Wij droegen dan onze beste klederen en schoenen en kwamen in de voorhof met andere kinderen samen, die feestelijk aangekleed hun ouders afwachtten. Op de hoge feestdagen gingen wij niet naar school. Mijn grootste feestvreugde was: zonder tijdsbeperking een mooi boek lezen; wij zorgden altijd bijtijds voor lectuur.

De grootste joodse feestdag is de Verzoendag: de dag waarop eens de Hogepriester het Heilige der heiligen binnentrad en het zoenoffer voor zichzelf en heel het volk opdroeg, nadat eerst de ‘zondebok’, waarop alle misdaden van het volk geladen waren, de woestijn was ingedreven. Dit is alles nu niet meer. Doch ook nu nog wordt de dag biddend en vastend doorgebracht en wie nog iets voor zijn Jood-zijn voelt, gaat op die dag naar de ‘tempel’. Ofschoon ik de lekkere hapjes van de andere feesten geenszins versmaadde, trok het mij toch altijd zeer, dat men op deze dag 24 uren en langer geen beet of slok nam; ik hield daarvan meer dan de anderen. Op de vooravond moest men het avondeten reeds bij klaarlichte dag gebruiken; als de eerste ster aan de hemel stond, begon de dienst in de synagoge. Op deze avond ging mijn moeder niet alleen, maar haar grotere dochters begeleidden haar en ook mijn broers beschouwden het als een ereplicht, niet te ontbreken. De prachtige, oude melodieën lokten zelfs andersdenkenden. De volgende morgen stond mijn moeder wat later op dan anders (haar gewone tijd is ook nu nog half zes) maar altijd nog vroeger dan de overige huisgenoten.

Dan ging zij van het ene bed naar het andere en nam van allen afscheid, omdat zij de hele dag in de synagoge bleef. Wij bleven zo lang mogelijk in bed (voor deze keer mochten wij in bed lezen), onze Frieda stond helemaal niet op, omdat zij anders het vasten niet kon verdragen.

Wij, kleineren, gingen naar de plechtigheid voor de gestorvenen; mijn moeder stond daarop, omdat we daarbij aan Vader moesten denken. Thuis brandden dan dag en nacht twee grote, dikke kaarsen ter herinnering aan de doden. ’s Avonds haalde gewoonlijk een van mijn broers moeder af. Het was steeds een grote vreugde, als de hele familie weer bij elkaar was en allen de dag goed hadden doorstaan. De plicht om te vasten bestaat voor de jongens na het voleinden van het dertiende jaar, voor meisjes na het twaalfde. Ik zou mij er graag gewetensvol aan gehouden hebben, maar men hield mij voor te tenger en ik kreeg enkel verlof om tot ’s middags nuchter te blijven. Vanaf mijn dertiende heb ik het volgehouden en niemand van ons dispenseerde zich van deze vasten, ook niet toen we alleen het geloof van moeder niet meer deelden en ons buitenhuis niet meer aan de rituele voorschriften hielden.

Voor mij had die dag nog een bijzondere betekenis: ik was op Verzoendag geboren en mijn moeder heeft die dag steeds als mijn geboortedag beschouwd, ofschoon de dag voor de gelukwensen en geschenken, 12 oktober was. Zij heeft aan dit feit altijd grote waarde gehecht en ik geloof, dat dit meer dan al het andere ertoe heeft bijgedragen om haar jongste kind voor haar bijzonder dierbaar te maken.”

 

Voor moeder Stein was dit niet alleen het vasthouden aan geboden, zij getuigde ook van haar overtuiging:

 

”De opslagplaats was het rijk van mijn moeder. Tot dat de acht-uren werkdag door de wet werd ingevoerd, was de zaak open zolang het licht was. Alleen tijdens de korte middagpauze kwam moeder naar huis... Zij ging met de klanten rond om het gewenste hout uit te zoeken, de maat te nemen en te berekenen wat zij uitgezocht hadden; zij was er bij en hielp mee, wanneer de wagens werden afgeladen en er plaats gemaakt werd voor de nieuwe leveringen; en als een handkar met planken – door een werkman getrokken, vroeger nog met een grote hond erbij – uit de poort ging, dan duwde zij van achteren, totdat hij de poort uit was.”

 

Verder schrijft Edith Stein:

“Meestal waren het ambachtslieden waarmee moeder te doen had. Zij kende van iedereen de hele familiegeschiedenis. Zij hoorde die gewoonlijk,  wanneer de mensen zonder geld wat wilden hebben of als ze de wissels niet konden betalen. Mijn moeder liet altijd haar goed hart spreken; menig keren heeft zij slechte klanten nog geld gegeven, als ze in nood zaten. Zij is vaak bedrogen en de zaak leed grote verliezen, maar niettegenstaande dit alles ging zij toch vooruit. Mijn moeder heeft dit altijd aan de zegen van Boven toegeschreven. Later, toen ik het geloof van mijn kinderjaren verloren had, zei ze eens tot mij – het was voor haar een Godsbewijs - :’Ik kan mij toch niet indenken dat ik alles, wat ik bereikt heb, aan eigen kracht te danken heb.”

 

Edith Stein heeft de geloofsovertuiging van haar moeder steeds diep weten te respecteren. Op 14 september 1936 overleed moeder Stein op 87-jarige leeftijd aan maagkanker. Edith is dan praktisch drie jaar in de karmel van Keulen. Moeder Stein sterft op het feest van Kruisverheffing, net op het ogenblik waar, naar jaarlijks gebruik, de kloostergeloften hernieuwd worden. Moeder Stein was een zeer wetsgetrouwe Jodin, die nooit heeft kunnen aanvaarden dat haar jongste dochter Edith katholiek geworden was. Sinds haar doopsel was er geen direct contact meer tussen Edith Stein en haar moeder. Het enig contact liep via de oudere zus Rosa.

In een brief van 4 oktober 1936 aan Zuster Callista in Speyer schrijft Edith:

 

“Het geloof aan de Messias is bij de huidige joden, ook bij de gelovige, haast verdwenen. Daarom heb ik mijn moeder noch de bekering noch het intrede in de orde kunnen duidelijk maken. Daarom lijdt ze nu zwaar onder de scheiding; zonder dat ik iets troostend kan zeggen. Ik moet haar schrijven maar kan niets principieels zeggen. Ik kan er alleen maar op bouwen dat zij kinderlijk godsvertrouwen heeft en dat het een offerleven was. En misschien wordt net de scheiding van haar jongste kind, dat zij bijzonders lief had, en de kleine bemerkingen, die ik vaker gewaagd heb, in het diepst van de ziel uiteenzettingen uitlokken, waarvan er dan toch iets naar buiten dringt. Spem suam Deo committere (zijn hoop op God zetten) zegt de regel van Benedictus…

Mijn moeder heef “haar” God lief gehad (zoals ze tegenover mij vaker beklemtoond heeft) en in vertrouwen op hem vele zware dingen gedragen en veel goed gedaan. Ik denk ook , dat de laatste maanden, gedurende de welke haar leven steeds in gevaar was, een bijzondere tijd van genade was, vooral in de laatste tijd, waarin ze zich helemaal niet meer voor het leven buiten geïnteresseerd had, en niemand weet wat er in de ziel gebeurd, alleen de Heer weet het.

Het woord in de brief aan de Romeinen (Rom 8, 28) was voor mij een grote troost en mijn vreugde in de zomer van 1933 in Münster. Ik heb het toen in de liturgie van Pasen, waarin het zo vaak voorkomt, nooit zo van harte gebeden als toen. Het moet ook nu mijn steun zijn. Mijn moeder was de sterke band, die de familie samen hield en dit reeds over vier generaties. Nu worden wij nog door zorgen samen gehouden, zelfs de kleinkinderen, verspreid over verschillende werelddelen. Ik zal mijn leven lang voor hen instaan,samen met mijn zuster Rosa, die mijn geloof deelt.”

Brief van 13.9.1936 aan Petra Brünning ESGA III, 224

 

In deze brief ziet men duidelijk dat er voor Edith geen breuk is tussen jodendom en christendom. Voor haar is Christus de vervulling van het joods geloof.

Het voorbeeld van haar moeder is voor Edith Stein zeker zeer diepgaand geweest. Waarschijnlijk heeft het voorbeeld van haar moeder ook mee de grondslag gelegd voor haar inzet voor de vrouw. Maar ook het belang van het ouderlijk huis vinden we terug in haar voordrachten:

 

“Als het ouderlijk huis is wat het zijn moet: een tehuis waarin de kinderen onder de hoede van beide ouders, die zich hun verantwoordelijkheid bewust zijn, opgroeien in een kring van broers en zusters, in een omgeving welke aan de ziels- en lichaamsbehoeften van het opgroeiend kind is aangepast, dan komt de hoofdzaak van wat wij als opvoeding van de mens door mensen hebben leren kennen, neer op het gezin: het zachtjes en gestadig, organisch en trouw aan innerlijke wetten opgroeien onder de gedeeltelijke onbewust werkende, gedeeltelijk bewust leidende en vormende invloed van de omgeving.

Er werd reeds gezegd: voor een meisje kan niets het opgroeien naast een moeder, die het echte vrouw-zijn belichaamt, vervangen. Als het meisje in de eerste jaren die bezorgde liefde et oud ondervindt, die alles voelt wat het nodig heeft, nog voordat het kind kan zeggen wat het mist; die in alle omstandigheden raad, hulp en troost weet, vreugde en leed deelt en daarbij toch die onbuigzame vastheid bezit, die ongeordende driften breidelt en opvoedt tot die deugden, welke in het latere leven moeilijk of niet meer kunnen verworven worden: reinheid en orde, gehoorzaamheid, oprechtheid, het rekening houden met anderen – dan is de vitale verbondenheid tot een band van ziel en geest geworden, die nauwelijks nog verbroken kan worden. Deze band zal bestand blijken  tegen de eerste crisis, optredend als het kind in de school komt en zó een nieuwe wereld binnen treedt: haar begrijpende liefde èn het vertrouwen van het kind zullen voor moeder de brug bouwen naar die nieuwe wereld en het gevaar van vervreemding afwenden. En hebben eenmaal het vertrouwen en de oprechtheid van moeder het kind opgevoed tot vertrouwen en oprechtheid, dan zal ook de tweede crisis overwonnen worden: de tijd van het rijp worden, de tijd waarin de individuele èn het vrouw-zijn tot doorbraak komen en het mensenkind zichzelf niet begrijpt; waarin het zelfstandige persoonlijkheid zou willen worden, zijn plaats verdedigen bij anderen en door hen geëerd worden, wijl het tevens voelt wat er allemaal nog ontbreekt; waarin het om al die redenen zich in zichzelf zou willen opsluiten en toch naar begrip en leiding verlangt. Wanneer moeders opvoedkunde zich hier handhaaft: wanneer zij thans in stilte rekening ermee houdt, dat het kind geen kind meer is en het ook zó tegemoet treedt; wanneer zij niet probeert vertrouwen af te dwingen, maar laat doorschemeren dat zij van de innerlijke strijd wel iets weet en begrijpt; wanneer zij tenslotte de raadsels kan oplossen en de grote betekenis van het nieuwe gebeuren kan uitleggen – dan heeft zij voor altijd gewonnen. Het voorbeeld en het oordeel van moeder zullen de richtlijn zijn voor het leven. Op de betekenis van vader, broers en zussen zullen wij niet nog eens ingaan.

Wanneer in het ouderlijk huis begrip is voor het cultuurleven, of er misschien scheppend aan deelgenomen wordt, dan krijgt het kind ook daar reeds vorming door cultuurgoederen. En dit onwillekeurig groeien in de wereld van de objectieve geest is ook iets wat door systematisch onderricht nauwelijks kan vervangen worden. Toch blijft het voor het gezin steeds een ondergeschikt doel, terwijl voor de school de vorming door middel van cultuurgoederen het eerste en wezenlijke doel is. Omdat van de andere kant de vorming door cultuurgoederen door mensen moet geschieden en in de school jonge lieden, die gevormd kunnen worden, dagelijks de invloed van volwassenen ondergaan, is een gevormd worden door mensen onvermijdelijk. Dit maakt het noodzakelijk, dat de leraar tegelijk een opvoeder zij, die zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is.

 

De hedendaagse opvatting, welke de opvoeding als eerste doel van de school ziet, is principieel dan slechts juist, als het hele vormingswerk, ook het door objectieve goederen verkregene, de vorming van de persoonlijkheid tot doel heeft en het gehele onderricht in overeenstemming met het doel is opgebouwd.”

 

Ook later zal het ouderlijk huis voor Edith Stein een plaats blijven waar zij geborgenheid en warmte kan vinden. Vaker is zij na zowel professionele tegenkantingen alsook tegenslagen in haar privé leven teruggekeerd en werd zij  er liefdevol opgevangen door de familie, ook daar waar die niet achter haar beslissingen stonden. We hebben ook getuigenissen hoe het er zo al aan toe ging toen de kinderen al volwassen waren:

 

“Natuurlijk, hartelijk en ongedwongen was de manier waarop Edith Stein met haar familie omging en over haar familie vertelde. In de grote inkomhal van het ouderlijk huis was ik eens getuige van de blijde tederheid waarmee ze gehecht was aan de kinderen van haar zus Erna. Zij was vrouwenarts. De woning en de praktijk bevonden zich op de eerste verdieping van het ouderlijk huis. Toen ik aan de huisdeur afscheid nam van Edith, sprong haar neefje, een jongen van een acht jaar, naar beneden en werd met een lieve kus ontvangen in de armen van zijn tante Edith. Dan stelde ze mij de knaap voor als Herr Biberstein, niet zonder ook mij aan hem voor te stellen.”

Getuigenis van Maria Bienas, vriendin van Edith Stein.

 

Edith Stein en het belang van het huwelijk

Aanvankelijk groeide Edith Stein op als een eigenwijs en verwend kind, waarschijnlijk als jongste kind en bovendien hoog begaafd. Toch heeft zij er zelf van gedroomd echtgenote en moeder te zijn:

 

“Thuis waagde bijna niemand meer mij iets te zeggen; mijn vriendinnen hingen met liefde en bewondering aan mij. Daarom leefde ik in het naïeve zelfbedrog, dat bij mij alles in orde was, zoals dit bij ongelovige mensen met een verheven, ethisch idealisme vaak voorkomt. Omdat men voor het goede begeesterd is, meent men zelf goed te zijn. Ik had ook steeds als mijn goed recht beschouwd op al het negatieve, wat mij opviel, op zwakheden, dwalingen, fouten van anderen meedogenloos de vinger te leggen, meermalen op spottende en ironische toon. Er waren mensen, die mij ‘heerlijk boosaardig’ vonden…”

 

Maar zij maakt een innerlijke groei door:

“Ik had mijn houding tegenover mijn medemensen maar ook tegenover mezelf gewijzigd. Het kwam er niet meer op aan gelijk te krijgen en de tegenstander te “onderdrukken”. En ook al had ik nog steeds een scherpe blik voor de zwakheden van de mens, zo gebruikte ik deze niet meer om ze op de gevoeligste plaats te treffen, maar om ze te sparen. Ook de opvoedende houding, die ik al altijd had, hinderde mij daaraan niet. Ik had ingezien dat men mensen maar zelden kan beteren door hen eens “de waarheid” te zeggen: dat kan alleen maar helpen  wanneer zij daartoe een ernstig verlangen hebben en wanneer zij ons het recht geven op kritiek…

Bij alle overgave aan het werk droeg ik in mijn hart toch nog steeds het verlangen naar een grote liefde en een gelukkig huwelijk. Zonder kennis van de katholieke geloofs-en zedenleer, was ik toch volledig vol van het katholiek huwelijksideaal. Ik had de indruk dat er onder de jonge mensen, die ik trof er toch wel iemand was, die ik mij als een toekomstige levenspartner kon voorstellen. Maar niemand merkte dit en zo kwam het dat velen mij als koel en ongenaakbaar ervoeren…Ik was in een innerlijke crisis, die voor mijn familie onmerkbaar was en die thuis ook niet kon opgelost worden.

Ik was na de eerste ontmoeting met Adolf Reinach zeer gelukkig en vervuld met een diepe dankbaarheid. Het kwam me voor dat ik nog nooit een mens had ontmoet met zulke zuivere innerlijke goedheid. Dat de enge familie en vrienden, die hem al jaren kenden, zeer aan hem hingen leek me vanzelfsprekend. Maar hier was er iets helemaal anders. Het was een blik in een heel andere wereld.

Aus dem Leben einer jüdische Familie

 

Edith weet ook zeer goed dat een huwelijk niet louter rozengeur en maneschijn is zoals blijkt uit een brief aan één van haar vroegere leerlingen:

 

“Lieve Juffrouw Günther,

 

Uw groot verzoek heb ik in mijn dagelijks gedenken opgenomen. Ik zie daarin niets wereldlijk. Het huwelijk is een sacrament, en een werkelijk christelijk huwelijk, wat het uwe toch zal worden, is een aangelegenheid van de kerk. Ik verheug mij samen met u, en ben overtuigd dat het de juiste beslissing voor u is. Op 4 en 8.III zal ik het mijne doen. Net heb ik van onze Moeder de toelating gekregen om u te kunnen schrijven dat u dan welkom bent. Hiervoor is er een dispensatie van de vastensluiting (Sperre). Nu wil ik toch nog als belangrijkste voorbereiding op het huwelijk nog het volgende op het hart drukken – dat u alles voor uw gezondheid doet, niet alleen eten en slapen maar ook rust en ontspanning voor de zenuwen. Dit is is nu werkelijk een onontkoombare plicht…

Waarom ik u zo vlug mogelijk wou schrijven is uit zorg voor uw toekomstig huwelijk. Ik ben zeker dat de hemel niet altijd wolkeloos zal zijn. Wij zijn mensen met zwaktes en gebreken, die zich in het samenleven langzaam aan  afslijpen, maar niet zonder pijn aan beide zijden. Natuurlijk wenst u uw verloofde graag al het pijnlijke en onaangename sparen. Maar u weet ook dat geen mens zonder pijn kan rijpen of innerlijk vooraan komen. Van deze wet kan men ook diegene niet bevrijden, die men het meeste bemint. Een sterke liefde kan erop vertrouwen dat men kleine en grote stormen kan overwinnen.

Brief van 5.2.1936 aan Margarete Günther

 

Zuster Erna

Een bijzondere band had Edith Stein met zus Erna die slechts anderhalf jaar ouder was. Beide zussen zijn vaak samen opgetrokken. Erna wordt ook in vertrouwen genomen in zake haar plannen in de karmel in te treden. Erna kan deze beslissing niet begrijpen maar respecteert deze wel. Erna blijft haar contactpersoon:

 

“Mijn lieve Erna,

 

jou en de kinderen (2) dank ik hartelijk voor jullie lieve brief. Ik verheugde me zeer erover dat je me met mijn feestdag schreef, ook dat je het bericht van mej. dr. Günther (3) meteen aan Rose (4) hebt doorgegeven. Ik kreeg omgaand een brief van haar en was eerst heel verbaasd hoe zij zo vlug mijn nieuwe naam had ervaren.

Intussen zal ook prof. Koch (5) zich gemeld en jullie over de viering verteld hebben. Maar een schildering kan toch niet weergeven hoe mooi het was. Wij ontvangen nog altijd dankbrieven van gasten die een heel diepe indruk hebben gekregen.

Ik denk dat je het fijn zult vinden wanneer ik de opnamen stuur die onze P. Provinciaal (6) heeft gemaakt. Er is een die nog mooier is, die Hede Spiegel (7) heeft gemaakt (met neergelaten sluier, zoals het eigenlijk hoort), maar daarvan hebben wij voorlopig slechts één afdruk gekregen.

Ik heb prof. Koch gezegd dat het nu niet de juiste tijd is voor een bezoek aan mama. Ik vind het altijd maar zo erg dat jullie het nu zeker moeilijk hebben. Moeder heeft toch duidelijk nieuwe hoop geput, want zij schrijft weer - na een wekenlange pauze – en wel iedere keer een kleine attaque. Zo spreekt zij toch zeker ook met jullie en dan moeten jullie verbergen wat je weet. Het is ook voor mij droevig om te zien wat voor een karikatuur ze heeft bedacht - niet alleen van ons geloof en van het kloosterleven, maar ook van mijn persoonlijke motieven – en daaraan niets te kunnen veranderen. Maar ik weet dat elk woord vergeefs zou zijn en haar alleen maar onnodig zou opwinden. Vertel asjeblief toch af en toe aan de beide families Stein (8) wat je van mij hoort. Zij krijgen toch de brieven niet te zien en zijn helemaal niet op de hoogte en ik kan onmogelijk aan allen schrijven. Wanneer je mevrouw Platau (9) feliciteert met haar verjaardag, neem dan ook van mij veel groeten en hartelijke gelukwensen mee. Wat je haar vertelt geeft ze zeker door aan Lilli; feliciteer alsjeblieft ook haar namens mij. En wanneer je het eens echt moeilijk hebt, gebruik dan het stille spreekuur om mij te schrijven. Ik verheug me er altijd over wanneer er iets komt.

     Voor het adres zullen jullie wel langzamerhand aan mijn nieuwe naam wennen (Teresia Benedicta a Cruce O.C.D., d.w.z. Ordo Carmelitarum Discalceatarum). Gebruiken jullie anders liever de oude dan heeft men daar begrip voor en neemt men dat niet kwalijk. Maar jullie zullen ook niet boos zijn op mij, wanneer ik nu zo onderteken zoals mijn medezusters mij noemen.

 

In hartelijke liefde jullie zuster Benedicta

 

 

Het is duidelijk dat Erna de contactpersoon blijft zeker wanneer de familie over de wereld verspreid geraakt door loop van de geschiedenis. Zo schrijft zij aan Hans Biberstein, echtgenoot van Erna:

 

Lieve Hans,

Het was een mooie verrassing een brief van jou te krijgen met herinneringen uit verleden tijden. Eerst later is het mij opgevallen dat het een verjaardagsgroet was maar deze dag heeft bij ons weinig betekenis.

Op 14. is Arno hier geweest voor een kort afscheidsbezoek. Misschien heb je hem ondertussen al gesproken. Ik hoop dat de zeereis hem goed gedaan heeft. Hij was wel zwaar aangeslagen van de laatste week thuis. Heeft al heel wat ontgoochelingen meegemaakt. Waarschijnlijk zal Wolfgang het wel redden.

Dat het voor jou nu zeer moeilijk is een nieuwe existentie op te bouwen is mij volledig klaar. Ik meen jou voldoende te kennen om aan te voelen hoe zwaar je onder de scheiding van Erna en de kinderen lijdt. Ik vertrouw er toch op dat dit allemaal van voorbijgaande aard is. Je zult je zeker kunnen doorzetten….

Brief van 27.10.1938 aan Hans Biberstein

 

Ook in het klooster blijft zij een goed contact houden bv. met het dochtertje van Erna, Suse:

 

“Mijn lieve Suse, Het is lang geleden dat ik jou nog een briefje geschreven heb. Vandaag doe ik het omdat tante Rosa mij geschreven heeft dat je weer onaangename dingen hebt moeten meemaken op school. Daarom wil ik je toch een plezier doen, ook al is het maar een korte groet. Mooier zou het zijn als je regelmatig eens zou kunnen voorbij komen voor een babbeltje, bij ons hier in de spreekkamer. Aan onze tralies geraak je wel vlug genoeg gewend. Het doet al onze bezoekers goed, jong en oud, om eens even in een wereld te komen waar men van al die woeste strijd buiten niets merkt... Je kunt er echt zeker van zijn dat het mij interesseert alles wat jullie betreft, het grote en het kleine leed en de vreugden. Nog een vraagje heb ik: wanneer in april een grafsteen komt op het graf van oma, kun je dan een mooie foto maken en mij opsturen?”

 

Veel lieve groeten, je tante Edith”

Brief van 5-3-1937 aan Suze Batsdorf. ESGA 3; 254-255

 

Afwezigheid van de vader

Edith Stein is opgegroeid zonder vader. Moeder heeft die vader wel vervangen en tot op zekere hoogt ook de oudere broers. Toch heeft men soms de indruk dat Husserl ook iets van een vader voor haar was:

 

Sint Magdalena, 16-2-1930

 

Lieve Zuster Aldegundis,

 

…De samenloop van omstandigheden, ook van de brieven op mijn bureau, zijn bijna een voldoende basis voor een theologisch godsbewijs. Sinds de zomervakantie ligt de “Formale und transzendentale Logik” van Husserl hier bij mij. Donderdag ben ik er mee begonnen, omdat het nu met mijn werk een betrekking heeft, en vrijdag kreeg ik, uw  brief. Een vergelijkbaar gesprek had ik met Husserl toen ik hem de eerste keer sprak na mijn conversie – ik had hem ook in de acht jaar daartussen niet gezien. Zijn echtgenote was aanwezig en steeds wanneer zij iets volledig onbegrijpelijk zei, antwoordde hij zo diep en mooi, dat ik er helemaal niets kon aan toevoegen. En ik kon helemaal openhartig zijn. Maar ik geloof dat men zeer voorzichtig moet zijn voor illusies. Het is mooi wanneer men vrij met hem over deze laatste dingen kan spreken. Maar het verscherpt de verantwoordelijkheid voor hem en daarmee ook onze verantwoordelijkheid voor hem. Gebed en offer zijn zeker veel belangrijker dan alles wat wij hem kunnen zeggen – en zijn ook dringend nodig. Het is iets anders: een uitgezocht werktuig zijn en : in de genade staan. Wij hoeven niet te oordelen en mogen vertrouwen op de ondoorgrondelijke barmhartigheid van God. Maar de ernst van de laatste dingen mogen we niet versluieren. Na elke ontmoeting waarbij mij de eigen onmacht door directe beïnvloeding duidelijk wordt, verscherpt zich voor mij het belang van het eigen holocaustum. Het spitst zich steeds verder toe naar een: hic Rhodus, hic salta! Ook al hebben wij de indruk dat de huidige levenswijze niet de ware is, wat weten wij daar al van? Maar dat we hier en nu staan om ons heil te bewerken en ook van diegenen die wij in het hart gesloten hebben, daaraan is er geen twijfel. Dat we meer en meer moeten leren ieder dag en ieder uur meer in de eeuwigheid te integreren, daarin willen we elkaar toch helpen door gebed?

 

In caritate Christi

ESGA 2, 108

 

Samenvatting

Edith Stein is in een grote familie opgegroeid wel als half wees. De familiebanden waren zeer hecht en moeder de centrale figuur. Zij moet een dominerende figuur geweest zijn met vaste principes maar ook met het nodige mededogen. Een paar van haar kinderen hebben zich behoorlijk eigenzinnig gedragen maar steeds was er de mogelijkheid van een terugkeer. Ook wanneer men de beslissing van Edith om in het klooster te gaan niet kon begrijpen, ja zelfs als verwerpelijk zag, werd het contact niet verbroken. Het was een familie waar er met elkaar gepraat werd of vele brieven geschreven. Van kindsbeen af werd er veel gemeenschappelijk ondernomen en men had interesse voor elkanders beroepskeuzes en verdere ontwikkeling zonder dat het in een jaloers overtroeven eindigde. Deze solidariteit werd nog versterkt door de loop van de geschiedenis.

 

© Dr. Ilse Kerremans ocds

 

Noten: 

 

1. Erna Biberstein geb. Stein, de iets oudere (jongste) zus van Edith, geboren 11-2-1890 in Lublinitz/Opper-Silezie (tegenwoordig Polen), gestorven 15-1-1978 in Davis/CA (USA). Zij huwde op 5-12-1920 de huidarts dr. Hans Biberstein. Zij had zelf haar praxis als gynaecologe aanvankelijk in het ouderlijk huis in Breslau, Michaelisstr. 38. Erna en Edith hadden een zeer nauwe band met elkaar. Edith Stein heeft haar zus vaak genoemd in haar aantekeningen  (Uit het leven van een joodse familie, ESW VII; ESGA 1). Erna Biberstein heeft later herinneringen aan haar zus Edith gepubliceerd (ESW VII; ESGA 1).

2. Erna en Hans Biberstein hadden twee kinderen: Susanne (geboren 1921) en Ernst Ludwig (geboren 1922).

3. Margarete Günther (gehuwd Schweitzer), bibliotheek-assistente in het Duits Instituut voor wetenschappelijke Pedagogie in Münster, waar Edith Stein haar leerde kennen. Zij werd geboren op 29-8-1904 in Hamm en stierf op 19-2-1988 in Brombach/Odenwald. Margarete Günther was voor haar huwelijk lerares in moderne talen. Haar dissertatie behandelde de oorlogsroman in de Engelse literatuur.

4. Rose Guttmann (later Bluhm), medestudente en vriendin van Erna en Edith Stein, geboren 15-7-1891 in Breslau, gestorven in 1977 in Londen (vgl. ESW VII, hoofdstuk 7; ESGA 1).

5. Josef Koch, katholiek theoloog, filosofie-historicus aan de universiteit van Breslau, geboren 2-5-1885 in Münstereifel, gestorven 10-3-1967 in Keulen. Koch had in 1931 het idee Edith Stein als docente naar de filosofische faculteit in Breslau te halen, maar dat lukte niet.

6. Theodor Rauch OCD (Georg Rauch – P. Theodor van de H. Franciscus van Assisie OCD), geboren 22-8-1890 in Alteglofsheim, gestorven 15-9-1972 in Regensburg. Hij was van 1933 tot 1936 provinciale overste van de Beierse (nu Duitse) provincie van de Orde der Ongeschoeide Karmelieten, waartoe toen alle kloosters in Duitsland behoorden.

7. Hedwig Spiegel, geb. Heß. Hedwig (die Hede werd genoemd) werd geboren op 5-7-1900 in Waldorf/Baden; zij stierf 4-2-1981 in Heidelberg. Op 1-8-1933 werd zij in de kapittelzaal van de dom van Keulen door prelaat dr. Albert Lenné gedoopt. Edith Stein was haar  meter (peettante). Zij gaf  Hedwig bij gelegenheid van haar doop het reliek-kruis cadeau dat zij zelf bij haar afscheid van Munster van de overste van het Marianum had gekregen (zuster Alphonsia Schulte - 1883-1966 -  van de congregatie van de Zusters van Onze Lieve Vrouw). Hede Spiegel en haar man leden erg onder de jodenvervolgingen door de nationaal-socialisten. Later emigreerden zij naar de USA. Zij keerden naar Duitsland terug.

8. De gezinnen van de twee broers: Paul Stein en zijn vrouw Gertrude, geb. Werther, met hun zoon Gerhard, wonend in Breslau XXI, Yorkstr. 16, en Arno Stein en Martha, geb. Kaminski, en hun kinderen Wolfgang, Eva, Helmut en Lotte, wonend in Breslau IX, Bockstr. 14.

9. Moeder van de vriendin Lilli Platau, die samen met Rose Guttmann (zie voetnoot 4) eindexamen deed. Edith Stein schrijft over Lilli Platau in haar aantekeningen (ESW VII en ESGA 1).

 

 

Citaat

Alles berust op het ons vrijwillig en bewust keren tot God.
Theophanos de kluizenaar
 

Zoeken

 
 
 
 

Pagina opties

A A A

© Isidorusweb 2001-2009 - Aanvullingen? Wijzigingen? Reageer op deze pagina