27-4-2007 / Reactie Nederlandse bisschoppen op verklaring 'voorgeborchte' |
ROERMOND - Paus Benedictus XVI gaf donderdag 19 april j.l. toestemming tot publicatie van een rapport van de Internationale Theologische Commissie met betrekking tot het zogenoemde ‘voorgeborchte’ waarin overleden ongedoopte kinderen zich zouden bevinden. De Commissie stelt in zijn rapport voor om dit hypothetische beeld niet langer te gebruiken. Adrianus kardinaal Simonis, apostolisch administrator van het aartsbisdom Utrecht en voorzitter van de Nederlandse Bisschoppenconferentie, geeft de onderstaande, eerste reactie.
“Het idee dat ongedoopte kinderen niet in de hemel zouden worden opgenomen, is in Nederland al lang niet meer gangbaar. Ook het vroegere gebruik om ongedoopte kinderen in ongewijde aarde te begraven, kennen wij gelukkig niet meer. De barmhartigheid van God en de genegenheid van Jezus Christus voor kinderen mogen ons alle hoop geven dat ook ongedoopte kinderen in de hemel komen, zo stelde de Katechismus van de Katholieke Kerk in 1993. Ook het nieuwe Kerkelijk Wetboek (1983) biedt sinds jaar en dag de mogelijkheid voor een kerkelijke uitvaart voor ongedoopte kinderen, wanneer ouders voornemens waren geweest om hun kind te laten dopen.
In die zin lijkt het besluit dat de paus genomen heeft, voor katholieken in Nederland al lang een gegeven. Anderen zullen wellicht menen dat hier een louter theoretisch vraagstuk of theologisch curiosum uit een ver verleden aan de orde is. Helaas is dat niet het geval. Ik realiseer mij dat ook vandaag de nodige Nederlandse katholieken de littekens van het verleden met zich meedragen, toen dit denken over ongedoopte kinderen nog wél breed leefde in onze Kerk. Er is al dan niet verborgen verdriet, frustratie of zelfs boosheid. Het verlies van een kind behoort tot het meest pijnlijke dat een ouder kan overkomen. Dat ouders en andere familieleden zich destijds door de Kerk in de steek gelaten voelden, juist op een moment dat zij de steun zo hard nodig hadden, kan ik mij heel goed voorstellen. Het verleden kan ik niet terugdraaien, maar het had anders gemoeten.
In onze tijd zijn wij ons veel meer bewust van de noodzaak van goede en intensieve rouwverwerking bij het overlijden van een kind. Juist de Kerk kan door haar geloof in het eeuwig leven – uitgedragen in gebed, ritueel en verkondiging – een belangrijke rol spelen in dat proces. De zekerheid van Gods Liefde en de ervaren verbondenheid van een geloofs-gemeenschap met de ouders en andere familieleden die een kind hebben verloren, maken dat mensen hun verdriet niet alleen hoeven te dragen.
Ik vind het te makkelijk om over het verleden een veroordeling uit te spreken. In alle eerlijkheid moet gezegd worden dat het theologisch doordenken van het doopsel van begeerte, ook door ouders ten aanzien van hun kinderen, nog niet voltooid was. Er was in dezen sprake van een collectieve onmacht, zodat het geloof in Gods oneindige liefde en de noodzaak van pastorale nabijheid daaronder leden. De pijn die dat veroorzaakt heeft, kan een paus of bisschop niet wegnemen. Toch wil ik nadrukkelijk uitspreken dat ik het verdriet van ouders en familieleden ook van binnenuit meevoel.
Wanneer pastorale ondersteuning in deze tijd geboden of wenselijk is, dan wil ik die mede namens mijn collega-bisschoppen van harte aanbevelen. Ook het alsnog wijden van ongewijde grond waar kinderen begraven liggen, het oprichten van gedenktekens of het houden van bijzondere vieringen kunnen soms een positieve bijdrage leveren aan de verwerking van het verdriet. Laten wij allen onze verantwoordelijkheid nemen om ons geloof in het eeuwig leven en onze verbondenheid met alle ongedoopte kinderen in de hemel, te vieren en te voeden.”
Bron: Bisdom Roermond