22-10-2007 / Augustinus-auteur Paul van Geest: ’Weet dat je God niet in woorden kunt vatten’ |
Augustinus (354-430) was niet de dogmaticus die alles dacht te weten. Hij was zich zeer bewust van de onkenbaarheid van God. Nieuw licht op het vergeten geloof van de belangrijkste kerkvader van het christendom.
’Dit is het boek waarin ik geloof.” Paul van Geest zegt het met overtuiging. De hoogleraar Augustijnse studies in Amsterdam en Tilburg, is trots op ’Stellig en onzeker’, zijn studie van de manier waarop kerkvader Augustinus (354-430) over God sprak.
Van Geest (1964) kent ’zijn’ Augustinus. Studerend in Rome raakte hij al onder de indruk van het ’schitterende systeem’ dat een hoogleraar dogmatiek schetste. „Het was een kathedrale ervaring, zo verheven, overweldigend, die ene synthese van godsbeeld, mensbeeld en wereldbeeld van de katholieke kerk, en het klopte ook nog allemaal, die magistrale eenheid in de leer.”
Zoals zoveel theologen – protestant of katholiek, dat maakt niet veel uit – bediende de Romeinse hoogleraar en collega van Joseph Ratzinger (nu paus) zich van het befaamde begrippenmateriaal van Augustinus. Zonde, genade, de absolute slechtheid van de mens en oneindige breuk tussen God en mens.
Hoezeer Van Geest ook onder de indruk was van de systeembouwerij, het ’begon te jeuken’ toen hij, in 2001 eenmaal zelf hoogleraar, weer eens de befaamde Augustinuscitaten voorbij zag komen in een boek, met alweer dezelfde vertrouwde commentaren.
Van Geest geloofde er niet meer in – hij weet nog precies wanneer dat helder tot hem doordrong: op een zaterdagochtend onder de douche.
„Volgens Augustinus is God niet te kennen. Er is wel iets, maar je kunt er niets over zeggen, in tijd en ruimte bestaat God niet. Dat past bij de huidige tijd: we kunnen niets meer zeggen over God en zwijgen dan maar het Mysterie dood. Maar wat we daarmee kwijtgeraakt zijn is dat we zozeer zwijgen dat we niet meer weten dat er een geheim is.
Augustinus wist dat nog wel. In een paar preken benadrukt hij dat: ’Denk niet dat je God in woorden kunt vatten, maar weet wel dat God liefde is en dat God, als wij elkaar liefhebben, in ons oplicht: liefde is God’.”
Zijn intuïtie zei Van Geest dat Augustinus verkeerd ’uitgelicht’ moest zijn, verkeerd begrepen, eeuwenlang en zeer hardnekkig. Het eerste misverstand is, zegt Van Geest, dat Augustinus consistent is. „Er zitten vaste lijnen in zijn denken, maar hij is soms ook heel tegenstrijdig. Zo was hij een kettervervolger, maar maakte hij zijn eigen strijd ook weer onmogelijk door te zeggen dat je niets over God kon zeggen – de negatieve theologie – en hij er dus net zo naast kon zitten als zijn tegenstanders.”
De tweede misvatting is dat Augustinus de christelijke leer op orde heeft gebracht. Die gedachte kon makkelijk postvatten doordat zijn navolgers compilaties van zijn werk samenstelden die de ’scherpslijperijen in de controversen’ in zijn werk als ondubbelzinnige bouwstenen voor een dogmatiek presenteerden. Augustinus heet niet zonder reden ’de dogmaticus van de kerk’.
En daar komt Van Geest in het geweer. Met de belangrijkste ’werkhypothese’ in zijn boek: Augustinus was géén theoloog. „Een theoloog zoals we die nu definiëren, een ’systeembouwer’, is een uitvinding van de Scholastiek, van ver na Augustinus dus.”
Bron/lees verder:
Lees verder in Trouw