26-10-2007 / Tempeliers vrijgepleit door Vaticaan |
Zuipen als een tempelier: de kwalijke faam van de religieuze ridderorde die zeven eeuwen geleden door de paus werd ontbonden, leeft nog altijd voort in het dagelijkse spraakgebruik. Maar de vrome ridders zijn al die tijd ten onrechte zwart gemaakt. Dat erkent ook het Vaticaan, dat donderdag een uitgave heeft gepresenteerd van het 'Processus contro Templarios'.
De documenten op grond waarvan de pauselijke rechtbank oordeelde over de tempeliers bevinden zich in het Vaticaanse Geheim Archief, maar zijn eeuwenlang onvindbaar geweest nadat een archivaris ze in de 16e eeuw verkeerd had opgeborgen. In 2001 stuitte de Italiaanse historica Barbara Frale er min of meer toevallig op. Bij bestudering bleek, dat paus Clemens V de ridders niet had veroordeeld wegens ketterij, zoals altijd was gedacht. De publicatie van de processtukken - in 799 luxe folianten - houdt daarmee tevens een verlate rehabilitatie in van de ridders, van wie er tientallen op de brandstapel eindigden.
De orde van de Pauperes Commilitones Christi Templique Salomonis, de arme medestrijders van Christus en de tempel van Salomon, werd in 1118 opgericht door een groep Franse edelen die zich voornam om de enkele jaren daarvoor tijdens de Eerste Kruistocht veroverde christelijke bezittingen in het Heilig Land te verdedigen. Het hoofdkwartier van de orde, die in 1139 door de paus werd erkend, lag op de Tempelberg in Jeruzalem. De leden moesten leven als monniken en een gelofte afleggen van kuisheid, gehoorzaamheid en armoede. Bij hun intrede moesten zij hun bezittingen geven a an de orde, die daardoor schatrijk werd.
De rijkdom en invloed van de orde, die haar oorspronkelijke functie kwijtraakte in 1296 toen het laatste christelijke bolwerk in Israël verloren ging, waren een doorn in het oog van de Franse koning Philips de Schone (1268-1312), die geen andere machten naast zich duldde.
Om zich meester te maken van het bezit van de tempeliers probeerde hij eerst om zelf toe te treden. Toen de ridders hem weigerden, schakelde Philips een valse getuige in, die verklaarde dat de ordeleden zich systematisch schuldig maakten aan ketterij, sodomie, hovaardij en idolatrie. In plaats van de Heer zouden zij Baphomet aanbidden, een beeldje met vrouwenborsten en duvelsvleugels, en nieuwe leden zouden bij hun initiatie het achterwerk van de Grootmeester van de Orde moeten kussen. Ook zouden zij in het geheim muzelman zijn geworden.
Op grond van die beschuldigingen liet Philips bijna alle tempeliers - alleen al 150 in Parijs - arresteren. Dat gebeurde op vrijdag 13 oktober 1307, en sindsdien is vrijdag de 13e nog steeds de ongeluksdag bij uitstek.
Onder de folteringen van de Inquisitie bekenden de meeste ridders al gauw. De Franse Kroon eigende zich hun bezit toe en in 1312 werden de laatste Grootmeester en zijn adjudant in Parijs verbrand. Dat zelfde jaar hief paus Clemens V de orde op. Eeuwenlang werd er niets meer van de tempeliers vernomen, totdat zij in de 19e eeuw werden herontdekt door romantische schrijvers die rond hen een stroom van fantastische verhalen in gang zetten, waarvan de Da Vinci Code een van de meest recente is.
De rol van de paus in de ondergang van de tempeliers is altijd gezien als die van zetbaas van Philips. Inderdaad was Clemens, een Fransman die in Avignon zetelde, op de pauselijke troon gekomen dankzij de Franse koning van wie hij volkomen afhankelijk was. Een pauselijke rechtbank was daarom gaarne bereid om de ridders te veroordelen. Maar daarbij werd de aanklacht wegens ketterij omgezet in die van afvalligheid, zoals blijkt uit de boven water gekomen processtukken van 1308. Het oordeel van de paus was dus minder zwaar dan in het verleden werd gedacht. Voor de ongelukkige ordeleden maakte het niet veel meer uit, maar zij zijn nu tenminste, zeven eeuwen na dato, vrijgepleit van de zwaarste beschuldiging die de kerk kent.
Bron/lees verder:
IKON RTV