WEERT - Na vijftien jaar had Johannes Gijsen, de omstreden oud-bisschop van Roermond, maandagavond zijn eerste publieke optreden in Limburg.
Oud-bisschop Jo Gijsen zit even voor acht uur eenzaam aan een tafeltje vooraan in de aula van dienstencentrum De Roos in hartje Weert. In zijn donkere priesterkostuum en met zijn zilvergrijze haar valt hij nauwelijks op tussen het gezelschap dat hij zo dadelijk gaat toespreken. Geen drukte om hem heen, geen voorstanders, geen tegenstanders, geen priesters, oud-collega’s of kerkhistorici.
Monseigneur, doctor. Zo wordt de 75-jarige Johannes Gijsen voorgesteld aan zijn gehoor. Voorzitter Peter Korten van de Weerter heemkundevereniging De Aldenborgh is er als eerste in geslaagd Gijsen te ‘strikken’ voor een lezing. Wie gedacht had dat Gijsen die gelegenheid wel zal aangrijpen om nog een laatste keer stevig uit te halen en een welgemikte steen in de vijver van de katholieke kerk te werpen, komt bedrogen uit. De doctor in de kerkgeschiedenis gaat zitten achter een tafeltje en begint met zijn lezing. Geen woord van zijn kant over 21 bewogen jaren aan de Paredisstraat in Roermond en nog twaalf jaar in het veel rustiger Reykjavik. Geen woord over zijn terugkeer naar Limburg. Geen woord.
Vanavond staan de bisschoppen Paredis en Boermans centraal, die ruwweg van 1840 tot 1900 de Limburgse kerkprovincie vormden. Gijsen spreekt rustig en bedachtzaam, leest voornamelijk voor van papier, maar kijkt zo nu en dan toch ook de zaal in, waar bijna ademloos wordt geluisterd. Twee keer drie kwartier lang.
Gijsen speelt een thuiswedstrijd. Zijn vader komt uit Stramproy, zijn gehoor is geïnteresseerd en het onderwerp van de lezing is een eitje voor de oud-bisschop. Gijsen promoveerde op Paredis, en heeft ook sindsdien de vakliteratuur altijd bijgehouden, laat hij weten, ook in zijn actieve jaren als bisschop. De lezing gaat trouwens ook over Venlonaar Boermans, de rechterhand van Paredis, deken van Weert, en opvolger van Paredis.
Hoe meer de lezing vordert, hoe duidelijker het wordt hoezeer Gijsen in ‘zijn’ jaren Paredis gekopieerd heeft. Net als Gijsen dat in zijn tijd deed, zette ook Paredis een eigen seminarie op en drukte zijn stempel op het katholieke onderwijs. Net als Gijsen had ook Paredis vijanden. Hij werd lang niet door alle priesters gepruimd. Velen vonden hem dictatoriaal. „Helemaal ongelijk hadden ze niet”, merkt Gijsen er in zijn lezing veelbetekenend over op.
Slechts één keer raakt Gijsen in zijn lezing aan de huidige tijd. Dat vergt enige uitleg vooraf. Paredis begon niet alleen een groot-seminarie in Roermond, hij wilde ook het bastion Rolduc van het kapittel in Luik overnemen. ‘Luik’ was daar niet blij mee en wilde geld zien. Veel geld. Paredis bracht het bijeen en kocht de gebouwen, op eigen naam. Dat eigendom is steeds overgegaan van bisschop op bisschop. Gijsen: „Dat was zo tot in mijn tijd. Wat er daarna gebeurd is, weet ik niet.” Het klinkt oprecht, zonder een spoortje ironie in zijn stem.