Navigatie: Home >

Voorgeborchte of limbus

 
Het voorgeborchte (Latijn: limbus) betekent letterlijk voorburcht of voorstad. Het was eeuwenlang een theologische concept dat een antwoord probeerde te geven op de vraag wat er gebeurt met de ziel van een kindje dat ongedoopt is gestorven. De kerkelijke leer geeft immers aan dat de doop een voorwaarde is om in de hemel te komen. Maar wat nu met ongedoopten, of zij die leefden voordat Jezus er was?
 
Afschaffing 
Paus Benedictus XVI is nooit overtuigd geweest van het bestaan van de limbus. De toenmalige kardinaal Ratzinger verklaarde al in 1984 dat hij wel voelde voor afschaffing van de hypothese. Op 21 april 2007 werd de theologie rondom het voorgeborchte afgeschaft, omdat "het buitensluiten van onschuldige kinderen uit het paradijs in tegenspraak is met de bijzondere liefde die Christus voor de kleinsten koestert'', stelt de paus.
 
Het voorgeborchte was een aanduiding van het verblijf van de zielen die na het sterven niet zijn in hemel zijn toegelaten, maar ook niet naar de hel of het vagevuur konden worden gezonden. Het begrip kent theologische onzekerheid, dat tot uitdrukking komt met de term “in limbo” - het lot kan niet worden bepaald. Met name voor de ongedoopte kindjes is dit een niet te onderschatten probleem voor de rouwverwerking na hun dood: is hun plaats in de hemel of in de hel, of ergens anders? De opvatting van het voorgeborchte geeft aan dat deze zielen, theologisch gezien, in de wachtkamer van de hemel zitten.
 

 
 

Twee situaties

Het voorgeborchte geldt voor twee situaties:

  • de limbus patrorum (voorgeborchte van de vaders): de zielen die een goed leven leidden, maar op de kruisdood en verrijzenis van Jezus moesten wachten. In het credo wordt beleden, dat Jezus nedergedaald is ter helle. Bedoeld wordt dan deze plaats, deze limbus patrorum.
  • de limbus puerorum (voorgeborchte van de kinderen): de toestand van de kinderen die ongedoopt stierven (zonder persoonlijke zonden te hebben gepleegd, maar ook zonder bevrijd te zijn van de erfzonde).  
 

 

Geen officiële leer

Het bestaan van de limbus behoort officieel niet tot de leer van de Kerk. In de KKK (Katechismus van de Katholieke Kerk) staat over kinderen die zonder doopsel zijn overleden:

“Wat betreft de kinderen die zonder doopsel gestorven zijn: die kan de kerk enkel aan de barmhartigheid van God toevertrouwen, zoals zij dit ook doet in de uitvaartliturgie voor hen. De grote barmhartigheid van God die wil dat alle mensen gered worden, en de genegenheid van Jezus voor de kinderen, die blijkt uit zijn woorden: 'Laat de kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen' (Mc. 10,14), staan ons toe te hopen dat er voor de kinderen die zonder doopsel gestorven zijn, inderdaad een weg ten heil bestaat. Des te dringender is dan ook de oproep van de kerk om kleine kinderen niet te verhinderen tot Christus te komen en hun het heilig doopsel te geven.”

Maar, een antwoord waar de overleden kindjes dan wel zijn, geeft de leer niet.

 

Het was Augustinus die voor het eerst de hypothese van het voorgeborchte naar voren bracht. Maar theologen na hem waren er niet eensluidend over. De Internationale Theologencommissie van het Vaticaan boog zich jarenlang over het vraagstuk in opdracht van paus Johannes Paulus II. In 2007 kwamen zij met het advies het voorgeborchte af te schaffen.

De Theologencommissie adviseerde, dat we kunnen aannemen dat de barmhartigheid van God zó groot is, dat hij al iedereen die rechtvaardig heeft geleefd of buiten hun schuld om niet gedoopt zijn in de Hemel toelaat. De reddende kracht van Christus gaat boven de macht van de zonde.

 

Monument voor ongedoopte overleden kinderen

Lange tijd kende de pastorale zorg van de kerk weinig tot geen begrip voor ouders van ongedoopte overleden kinderen. Tot ver in de jaren zestig werden deze kinderen in ongewijde grond begraven, kregen geen gedenkteken of naam en vonden hun rustplaats meestal buiten het (gewijde) kerkhof. Die gewoonte heeft veel leed veroorzaakt bij de achterblijvende ouders. Het verlies van een kindje went nooit.

 
De kerk heeft inmiddels diverse malen officieel spijt betuigd. Steeds meer en meer zijn op begraafplaatsen monumenten voor ongedoopte overleden kinderen te vinden. De pastoor en het kerkbestuur werken gelukkig steeds vaker mee om dergelijke monumenten te onthullen en in te zegenen.
 
In een eerste reactie op het achterhaald verklaren van het concept van het voorgeborchte, zei kardinaal Simonis:
 
“Het idee dat ongedoopte kinderen niet in de hemel zouden worden opgenomen, is in Nederland al lang niet meer gangbaar. Ook het vroegere gebruik om ongedoopte kinderen in ongewijde aarde te begraven, kennen wij gelukkig niet meer. De barmhartigheid van God en de genegenheid van Jezus Christus voor kinderen mogen ons alle hoop geven dat ook ongedoopte kinderen in de hemel komen, zo stelde de Katechismus van de Katholieke Kerk in 1993. Ook het nieuwe Kerkelijk Wetboek (1983) biedt sinds jaar en dag de mogelijkheid voor een kerkelijke uitvaart voor ongedoopte kinderen, wanneer ouders voornemens waren geweest om hun kind te laten dopen. 
 
In die zin lijkt het besluit dat de paus genomen heeft, voor katholieken in Nederland al lang een gegeven. Anderen zullen wellicht menen dat hier een louter theoretisch vraagstuk of theologisch curiosum uit een ver verleden aan de orde is. Helaas is dat niet het geval. Ik realiseer mij dat ook vandaag de nodige Nederlandse katholieken de littekens van het verleden met zich meedragen, toen dit denken over ongedoopte kinderen nog wél breed leefde in onze Kerk. Er is al dan niet verborgen verdriet, frustratie of zelfs boosheid. Het verlies van een kind behoort tot het meest pijnlijke dat een ouder kan overkomen. Dat ouders en andere familieleden zich destijds door de Kerk in de steek gelaten voelden, juist op een moment dat zij de steun zo hard nodig hadden, kan ik mij heel goed voorstellen. Het verleden kan ik niet terugdraaien, maar het had anders gemoeten.
 
In onze tijd zijn wij ons veel meer bewust van de noodzaak van goede en intensieve rouwverwerking bij het overlijden van een kind. Juist de Kerk kan door haar geloof in het eeuwig leven – uitgedragen in gebed, ritueel en verkondiging – een belangrijke rol spelen in dat proces. De zekerheid van Gods Liefde en de ervaren verbondenheid van een geloofs-gemeenschap met de ouders en andere familieleden die een kind hebben verloren, maken dat mensen hun verdriet niet alleen hoeven te dragen.  
 
Ik vind het te makkelijk om over het verleden een veroordeling uit te spreken. In alle eerlijkheid moet gezegd worden dat het theologisch doordenken van het doopsel van begeerte, ook door ouders ten aanzien van hun kinderen, nog niet voltooid was. Er was in dezen sprake van een collectieve onmacht, zodat het geloof in Gods oneindige liefde en de noodzaak van pastorale nabijheid daaronder leden. De pijn die dat veroorzaakt heeft, kan een paus of bisschop niet wegnemen. Toch wil ik nadrukkelijk uitspreken dat ik het verdriet van ouders en familieleden ook van binnenuit meevoel. 
 
Wanneer pastorale ondersteuning in deze tijd geboden of wenselijk is, dan wil ik die mede namens mijn collega-bisschoppen van harte aanbevelen. Ook het alsnog wijden van ongewijde grond waar kinderen begraven liggen, het oprichten van gedenktekens of het houden van bijzondere vieringen kunnen soms een positieve bijdrage leveren aan de verwerking van het verdriet. Laten wij allen onze verantwoordelijkheid nemen om ons geloof in het eeuwig leven en onze verbondenheid met alle ongedoopte kinderen in de hemel, te vieren en te voeden.”
 
 
 

Citaat

Wie barmhartigheid bewijst, brengt een lofoffer.
Jezus Sirach
 

Zoeken

 
 
 
 

Pagina opties

A A A

© Isidorusweb 2001-2009 - Aanvullingen? Wijzigingen? Reageer op deze pagina