Navigatie: Home >

De allereerste verschijning in Lourdes

 
 

Donderdag 11 februari 1858. Een dag zoals alle andere in het cachot, in het walgelijke halfduister dat men vergeet door de sfeer die er heerst. Het is 11 uur in de morgen. Francois Soubirous ligt op bed. Geen werk vandaag. Hij spaart zijn krachten voor morgen, of later…

 

“Hemeltje, er is geen hout meer”, roept Bernadette. Het plan is klaar. Toinette wil ook meegaan. Daar komt Jeanne Abadie binnen, die ze Baloum noemen, de dochter van de steenhouwer, een flink uit de kluiten gewassen, kort aangebonden bengel. Zij gaat ook mee natuurlijk.

“Bernadette niet!!” zegt May, hun moeder. Het is mistig buiten en het motregent. Ze is bang voor de kou, met die astma van haar oudste. Maar Bernadette dringt aan. Zich benauwd voelend in de enge ruimte, snakt ze naar wat buitenluct. Ze mag, maar krijgt duizend raadgevingen mee. May slaat de overal herstelde, tweedehands op de Marcadal gekochte witte capulet over het hoofd van ‘de erfgename’. Zo wordt Bernadette genoemd als oudste dochter. Een capulet is een om het hoofd geslagen en lang over de schouders afhangende omslagdoek uit de Pyreneeën).

 

De drie paar klompen klepperen over het wegdek van de Rue des Petits Fossés en vervolgens onder het gewelf van de poort van Baous, waardoor men buiten de stad komt. De drie gaan verder naar de Oude Brug. Driehonderd meter verder gaan ze de brug over van de vaart die de molen Savy laat draaien. Zo komen ze in de weide, een eiland tussen de vaart en de Gave, dat ze niet kennen. Nicolau, de molenaar van Savy, komt de drempel van zijn deur over. Hij heeft het er niet op begrepen dat die drie scharrelaars in het verse hakhout komen graaien en roept:”Blijf van dat hout af, schavuiten!”.

Ze stappen steviger door, maar waardig, zonder takken op te rapen die er in overvloed liggen. “Als we eens gingen kijken waar de vaart in de Gave uitkomt”, stelt Bernadette voor. “En als dat nu eens in Bétharram is!”, zegt Toinette, die ‘de erfgename’ graag tegenspreekt. Ze hoeven niet ver te zoeken. Na tweehonderd meter staan ze al op de puntige zandtong waar de Gave samenkomt met de vaart van de molen die vandaag stilstaat. Aan hun linkerkant steekt een rotspartij omhoog, van onderen uitgehold door een grot. Het water van de vaart spoelt langs de linkerkant ervan. Tussen de rotsblokken en de schuins oplopende morene die de grot versperren, hebben de drie scharrelaarsters hout en botten gezien. Veel meer dan ze tot nu toe gevonden hadden. Jeanne gooit haar klompen naar de overkant en steekt over met de takkenbos op haar hoofd. Toinette volgt haar, met de takkenbos in haar hand. Zo blijft Bernadette alleen achter op de oever, met haar astma en de waarschuwingen van haar moeder.
 
 
De Lourdesgrot anno 1858 (in het jaar van de verschijningen)
 
 

“Help me stenen in het water gooien, zodat ik erover kan!” De anderen zijn volop aan het sprokkelen. “Doe toch net als wij”, roept Jeanne naar haar. Ze is kwaad op die luilak, die niet evenveel heeft geraapt als de anderen.

 

Bernadette zoekt een oversteekplaats. Niets. “Toen kwam ik terug voor de grot,” schrijft zij, “en begon mijn kousen uit te trekken. Net toen ik mijn ene kous uithad, hoorde ik een geluid als van een windstoot.”

Zij kijkt achter zich. De populieren bewegen niet. Zij bukt om de andere kous uit te treken. Weer datzelfde geluid. Maar ditmaal bewegen er recht voor haar takken: die van een wilde roos die onder in een soort nis staat, zo’n drie meter van de grond boven de rechterzijde van de grot. Een ‘zacht licht’ komt dat donkere gat verlichten en kijk, daar in dat licht een glimlach. Het is een prachtig mooi meisje, helemaal in het wit. Ze opent de handen met een verwelkomend gebaar dat schijnt te betekenen: kom dichterbij! Bernadette is aangegrepen: ´het is een soort vrees, maar niet om weg te vluchten’, zo verduidelijkt zij. Integendeel. Ze zou niets liever willen dan daar blijven. Toch vecht ze, om zich niet over te geven aan een drrom. Ze wrijft verschillende malen haar ogen uit. En telkens ziet ze weer dezelfde verschijning met haar glimlach. Dan, zo zegt zij:

“Stak ik mijn hand in mijn zak, ik vond er de rozenkrans. Ik wilde het kruisteken maken. Ik kon mijn hand niet naar mijn voorhoofd krijgen. Hij viel omlaag. Mijn bevangenheid werd me de baas, mijn hand trilde. De verschijning maakte het kruisteken. Toen probeerde ik het nog eens. En ik kon het. Direct nadat ik het kruisteken had gemaakt, was de grote bevangenheid die ik had gevoeld, verdwenen. Ik ging op mijn knieën zitten en bad mijn rozenkrans in tegenwoordigheid van die mooie dame. De verschijning liet de kralen van de hare door haar vingers glijden, maar haar lippen bewoog zij niet. Toen ik klaar was met mijn rozenkrans, deed zij een teken dat ik dichterbij moest komen. Maar ik durfde niet. Toen was ze opeens verdwenen.”

 

Alleen nog maar de donkere rots en de motregen. Gelukkig maar allesbehalve dromerig, hervat Bernadette haar programma waar ze het had gestaakt met haar ene blote voet en de andere nog met een kous. Ze ziet de kous die tot op de enkel is gezakt. Ze trekt hem uit en steekt zonder enige aarzeling het water over. Ze gaat op een van de grote stenen zitten op de harde oever aan de drempel van de grot.

Daar zijn de twee anderen. Terwijl ze naar de benedenloop van het water liepen aan de linkeroever hadden ze Bernadette zien bidden. Baloum had haar schouders opgehaald: “Die is wel gek om daar te gaan bidden. Het is toch genoeg als je in de kerk bidt.”

En nu komen ze terug met een flinke voorraad hout. Ze springen wat heen en weer onder het gewelf van de grot om het wat warmer te krijgen. Bernadette vindt het niet leuk dat ze daar zo uitgelaten doen. Ze vraagt: “Hebben jullie niets gezien?” De anderen antwoorden ontkennend: “Heb jij dan wat gezien?” Bernadette beseft het mysterie dat haar zojuist is overkomen. Ze moet dat voor zichzelf bewaren. Ze geeft een andere draai aan het gesprek. “Flauwerds! Jullie zeiden dat het water koud was. Ik vond het lekker.” Jeanne bindt haar takkenbos vast, terwijl Bernadette de grot nog eens goed bekijkt. De harde steen, vol gaten van allerlei holtes, de grond vol keien die meesten bruin zijn, en hier daar roodachtig. De onbeweeglijke doornenstruik daar in de lege nis. Ze kan er niets aan doen en moet nog eens vragen:
“Hebben jullie niets gezien?”

“Wat heb jij dan gezien?” antwoorden de twee opnieuw, waarop Bernadette zegt: “Ach, niets.” Toinette wordt nieuwsgierig, maar Jeanne wordt kwaad: “Ze heeft niets gezien, maar ze wou geen hout rapen! May zal het haar wel inpeperen!”. Ze hijst haar takkenbos op haar hoofd, pakt de mand met botten en verdwijnt in het struikgewas op de helling, de andere twee achterlatend.

 

Bernadette en Toinette binden hun takken vast en pakken ze op. Maar Bernadette komt niet meer achteraansukkelen. Ze is het eerste boven, gooit haar takkenbos op de weg en komt terug om Toinette te helpen, die stomverbaasd zegt: “En ik ben nog wel de sterkste!”

Toinette dringt opeens aan: “Vertel me nu eens wat je gezien hebt. Alleen aan mij. Ik beloof je dat ik er tegen niemand iets over zag zeggen. Zelf niet tegen May.”

In goed vertrouwen vertelt Bernadette in een paar woorden over de verschijning. Die vertrouwelijke mededeling wakkert tegelijkertijd Toinette angst aan en haar jaloersheid op Bernadette, de oudste, de ‘erfgename’ voor wie ze kousen hebben gekocht vanwege haar astma en die het voorrecht van wittebrood geniet wegens haar maag. “Je wilt me bang maken, maar ik lach erom, hoor, nu we hier op de weg zijn!” Ze slaat haar met een tak uit haar takkenbos. “Kletspraat, allemaal onzin”.

“Het is echt waar”, zegt Bernadette rustig, terwijl ze de slagen afweert. Daarna lopen ze met de takkenbossen naar huis.

 

Even later is het al etenstijd geweest. Maar het eerste waar May aan denkt, is hun haar te kammen, dat vol takjes zit. Zij is als de dood voor hoofdzeer. Bernadette is in de gang het stuk brood gaan opeten dat Toinette zo de ogen uitsteekt. Haar zus vertelt: “Iets bracht me ertoe om te zeggen wat Bernadette me gezegd had. Dus deed ik driemaal ‘hmm’, alsof ik mijn keel wou schrapen. Mijn moeder zei me: “Waarom doe je dat? Ben je ziek?” Nee, maar ik zal u eens zeggen wat Bernadette me gezegd heeft”.

En maar wat gretig begon ze:
“Bernadette heeft een wit meisje gezien in de grot van Massabielle.”

“Praoube de you!”. Lievehelp, nee! riep May. Wat voor ramp zou er nu nog gebeuren na al die gedwongen verhuizingen, hun geruïneerd zijn, de gevangenis? Ze dwingt zich kalm te blijven als ze Bernadette ondervraagt: “Wat heb jij gezien? Zeg op! Wat heb je gezien?”

 

De woorden blijven Bernadette in de keel steken: “Iets wits”. De stok om de dekens uit te kloppen komt neer op de twee zusjes, minder hard op het tere lichaam van Bernadette.

“Je hebt alleen maar een witte steen gezien. Ik verbied jullie daar nog eens naartoe te gaan.”

Hun vader die nog altijd languit op bed ligt, spreekt plechtig de woorden uit waar heel zijn droom van trots in tot uiting komt ondanks wat er is gebeurd. “Er is nog nooit iets te zeggen geweest op ons gezin. Denk erom dat jij niet begint!” Vader zowel als moeder begrijpen er echter niets van. Wat is er toch met Bernadette?

“We moeten bidden”, zegt de moeder. En ze denkt: Misschien is het wel de ziel van een of ander familielid in het vagevuur.

 

Daar is Jeanne Baloum. Ze komt onderhandelen over de verkoop van de botten. Het geluk lacht hen toe. Letchina geeft 20 stuivers voor de hele hoop. Met die 30 centimes kopen zij een pond brood dat ze in het cachot komen delen. Er wordt niet meer gesproken over wat er ’s middags is gebeurd.

’s Avonds bij het avondgebed voor de haard waarin het hout brandt dat ze bij Massabielle gesprokkeld hebben, raakt Bernadette ontroerd. Ze voelt een grote tederheid. Zij huilt. May vraagt wat er is. Maar wat kan ze antwoorden? Louise is ongerust en gaat raad vragen op de eerste verdieping, bij Romaine Sajous. Samen stellen ze op de rand van het bed nog vragen aan Bernadette. Ze komen tot het besluit: “Het is een droom… een drogbeeld. Je moet niet meer teruggaan naar Massabielle.”

 

Bron: Het leven van Bernadette, Rene Laurentin (1978)

Citaat

Een gesloten hart zou de ergste gevangenis zijn.
Johannes Paulus II

Heilige van de dag

3-3-2008

Fredrik

 

Zoeken

 

Nieuws

Frans Maseland / Onze levensweg kruist zijn lijdensweg
Caroline Tax / Zelfmoord op recept
Driekwart Nederlanders voor euthanasiepil
Arnhemse kerken bundelen krachten voor overleg met gemeente
Gospelkoor Inside Out bij finale Idols én Stille Omgang
Voortbestaan Rorate/RKNieuws.net bedreigd
Hulpbisshop De Korte: 'Wilders moet niet beledigen'
Bisschop Oud-Katholieke kerk overleden
Kerkleden sturen 100.000 kaarten aan gevangenen
Frank Bosman / Celibaat verdient geen denkverbod
Recensie / Harry Knipschild - Soldaten van God
Archief Vincentiusvereniging overgedragen
Jongerenbijbel krijgt Franse editie
Dr. S. Noorda voorzitter Bijbels Museum
Mariakapel 'te koop' uit frustratie met gemeente
Moeder Teresaprijs naar aidsbestrijders Peter Piot en Mark Dybul
Gebed voor ontwijde Argentijnse kathedraal
KRO ziet af Bijbelfilm tegen Wilders
Kerkelijke vakbeurs in Keulen geopend
Bodar: 'Priester moet streng en mild tegelijk zijn'

Meer nieuws >>
 
 
 

Pagina opties

A A A


© Isidorusweb 2001-2009 - Aanvullingen? Wijzigingen? Reageer op deze pagina Disclaimer