|
Liturgisch jaar
Algemeen
Zoals er een kalenderjaar of een schooljaar is, zo kent de katholieke kerk
het kerkelijk of liturgische jaar. In de loop van een jaar wordt in de liturgie alles
wat God voor de mensen heeft gedaan, herdacht en/of gevierd.
Door het gehele liturgische jaar heen zijn allereerst te onderscheiden:
- de zondagen. De algemene gedenkdag van de Verrijzenis van de Heer en het begin van de week.
De zondag begint eigenlijk al na de zonsondergang op zaterdagavond.
- de hoogfeesten. Dit zijn feestdagen met belangrijke geloofswaarde voor de katholieke kerk.
Ook de hoogfeesten beginnen met het avondgebed op de avond van de voorafgaande dag, soms
met een vigiliemis.
- de feesten. Vaak lokale feesten van plaatselijk belangrijke gebeurtenissen of personen.
De feesten worden gevierd op de dag zelf.
- de gedachtenissen. Als gedachtenis aan lokale feiten, personen of gebeurtenissen.
- de zaterdagen door het jaar. Soms kunnen zaterdagen, waarop geen andere gedachtenis valt,
worden toegewijd aan de maagd Maria.
- de weekdagen. Er zijn een aantal - in volgorde - belangrijke weekdagen: Aswoensdag, de
weekdagen van de advent en de veertigdagentijd en de 'overige' weekdagen.
Er wordt ook wel van roerende feestdagen gesproken. Dit zijn kerkelijke
feestdagen op een vaste dag, maar met telkens een andere datum. Bijvoorbeeld: de eerste zondag
van de Advent, Aswoensdag, alle dagen van de Goede Week, Pasen, Hemelvaartsdag, Pinksten
en Sacramentsdag.
A,B en C
In de liturgische kalender worden A, B en C-jaren onderscheiden. Na het Tweede Vaticaans Concilie
heeft is deze een lezingencyclus van drie jaren ingesteld. Hierdoor werd het mogelijk een groter deel
van de H. Schrift te lezen. Er wordt voor het evangelie achtereenvolgens gelezen uit Mattheus (A-jaren), Marcus (B-jaren)
en Lucas (C-jaren). C-jaren zijn door drie deelbaar. Op weekdagen is er een eenjarige cyclus in de
sterke tijden en een tweejarige cyclus (alleen voor de eerste lezing; de evangelielezing is eenjaarlijks)
in de tijd door het jaar. In december 2004 is het A-jaar begonnen.
Twee hoogtepunten
In grote lijnen is het liturgische jaar te verdelen in drie perioden.
Twee daarvan zijn veruit de belangrijkste: de kerstkring en de paaskring. Beide bestaan
uit de hoogfeesten zelf en vanwege het belangrijke karakter kennen ze een langere voorbereidingstijd.
De kerstkring is de eerste periode van het jaar. De kring begint op de eerste zondag
van de Advent tot de zondag na Driekoningen in januari.
De Paaskring is de volgende periode. De kring begint ruim drie weken voor Aswoensdag,
loopt via Pasen tot aan Pinksteren. Het feest van Pasen werd verlengd om de vreugde van Pasen
uit te zingen.
De derde periode is de tussenliggende periode tussen Pasen en Kerst en loopt
van de zondagen na Pinksten tot aan de Advent.
Surf verder naar deze drie liturgische perioden:
Van Advent naar Kerstmis en Driekoningen
Het kerkelijk jaar begint met de eerste zondag van de Advent (eigenlijk
het avondgebed voorafgaand aan deze zondag). De Advent zijn de eerste vier weken
voorafgaand aan het Kerstfeest.
Van de veertigdagentijd naar Pasen en Pinksteren
De Veertigdagentijd begint op Aswoensdag tot aan de avondmis van Witte Donderdag in de
Goede Week. Het is de liturgische tijd als voorbereiding op het hoogfeest van Pasen.
De gelovigen worden voorbereid op de viering van het paasmysterie bijvoorbeeld
de doopvoorbereiding of de aandacht voor de doorbeloften en boetvaardigheid.
De tijden door het jaar
De perioden na Pinksteren is de derde periode uit de driedeling van
het liturgische jaar. Het maakt de cirkel, die begon van de Kerstkring, rond.
Hoofdzakelijk is de liturgische kleur groen. De 'tijden door het jaar'
eindigen met de zondag waarop het feest van Christus Koning wordt gevierd,
rond 24 november.
|